Waardering

Hieronder volgen frases uit een aantal recensies of anderszins m.b.t. verschenen bundels.

Olaf Douwes Dekker (Brabant Cultureel):
Vroomkoning voert meteen vanaf zijn eerste bundel uit 1983 steeds een zeer persoonlijke toon. Hij betrekt je bij zijn eerste vaak verwonderde, eerste vaak ogenschijnlijk  lichtgestemde waarnemingen, maar schuwt ook niet je en passant mee te nemen naar de diepst roerselen. Wie zijn werk een beetje kent zal zich ongetwijfeld de licht humoristische inkleuring van zijn ouderlijk huis herinneren, tegelijkertijd de lezer meevoerend op een intens melancholisch pad. Met name de onvergetelijke gedichten over zijn ouders zijn van een bijzondere trefzekerheid. Zijn alom bekende, iconische bijdrage aan de vaderlandse dichtkunst, ‘Vuilniszakken’, ontbreekt dan ook niet in ‘Vrije Val’, Breukers’ selectie, evenmin als het ontroerende Latijn.
Wie van erotisch geladen poëzie houdt wordt altijd bij deze auteur op zijn of haar wenken bediend.
Niet ten onrechte, men zou zich gemakkelijk kunnen vergissen, maakt Breukers melding van de ogenschijnlijk gemakkelijke stijl waarmee Vroomkonings werk ‘eenvoudig’ lijkt. Of ’te licht’.
Het is goed te mogen vaststellen dat Vroomkoning sinds kort de pen weer gevonden heeft. En ware poëzie blijft schrijven. Dat het ouder worden zelfs deze eeuwig jonge dichter toch niet ontgaat, lezen we in de laatste strofe uit “Wachten op de nacht’. Vroomkoning is met deze bloemlezing recht gedaan en zijn vele lezers een groot plezier. Het boekje oogt eenvoudig helemaal in de stijl van deze gevoelige dichter met zijn lichte pen.

Jan Tijshen (brief)
Met genoegen Vroomkonings verzen in ‘’ Vrije Val’ (weer eens) herlezen, al kwam ik nu het prachtige beeld van de meelbestoven vader niet tegen; de bloemen plukkende was een bevredigende vervanger. Onvermijdelijk staan wij allemaal op brede culturele schouders. Nogal eens kwam ik Nijhoff  (p. 12/73) tegen en de hoger, hoger strevende bijen, Elke dag (29), en het spiegelende slootoppervlak, Namiddag (p.38) en de waterdamp in de keuken… Verder Roland Holst (Adriaan) p. 70 – ik doe het even uit het hoofd –‘Laten wij zacht zijn voor elkander kind en niet het trotse hoge woord van Liefde spreken want hoeveel harten moesten daarom breken onder de wind in hulpeloos verdriet’, Van Eyck(p.80) met de tuinman, Kloos (p.95) met zijn  God…In de eigenheid van Vroomkonings  gedichten vind ik het positieve, plezierige details.
Parlando, jawel maar vooral ogenschijnlijk: de associatieve verschuiving in betekenis, vaak visueel geladen, vind ik veel belangrijker. Bij de Grote Beer en de beerpunt in Zo boven, zo beneden (p.100 klinkt dat nog een beetje gezocht/ gecontrueerd maar in Vrije Val (p. 73/12) vind ik de formulering geweldig;’…langzaamaan smolt alles wat ik was’. De alliteratie is al aardig, de hoeveelheid binnenrijm is mooi, ‘langzaamaan’ gaat lezend/ uitsprekend echt even duren en als klap op de vuurpijl dat gewone, o zo ambigue woordje ‘was’. Ik vind het een van de mooiste regels uit de bundel.
Roeping (p.26) is ons m.m. allemaal op het lijf geschreven, denk ik.

Over Overzet. Ik vind het een mooi gedicht. Het onderwerp is vertrouwd, je kent het veer, het winterweer, de mythologie. Mede daardoor heb je aan een compact sonnet genoeg. Het detail van de raven en de meeuwen die voor mij door elkaar vlogen, laat me niet los– ik heb er visueel als ornitholoog wat moeite mee: het silhouet van de vogels verschilt erg en een mistig kanaal is niet het biotoop van raven. Bezwaarlijker is, semantisch gezien, dat het woordje ‘als’ voor mij de volgorde verstoort alsof raven meeuwen worden; dat daarbij eerst de raven genoemd worden en daarna de meeuwen is niet het probleem. Dus liever: ‘raven wieken rond zijn kop, meeuwen in negatief’ of ‘meeuwen in negatief worden/ lijken raven rond zijn kop’. Nu gaat ook in negatief de plompe raaf niet op de slanke meeuw lijken; bovendien vind ik ‘negatief’ te hard en te duidelijk. Meeuwen in tegenlicht, vervagend in de mist, maken bij mij meer kans op beide punten. En als er bijna geen licht is in de sneeuwlucht, dan is het tegenlicht wellicht meteen van een andere orde…Is Charon ook weer tevreden. Dus liever: meeuwen in tegenlicht wieken rond zijn kop als raven/raven gelijk’ of ’meeuwen in tegenlicht wieken als raven/gelijk raven rond zijn kop’.

Chrétien Breukers (voorwoord Vrije Val)
Tijdens de presentatie van Klein Museum, op 25 september 1987, sprak Herman de Coninck lovende woorden over Vroomkonings werk: ‘Er zijn niet zoveel dingen die je kunt hebben in het leven. Een vrouw heb je niet, kinderen heb je niet. Althans, zodra je denkt dat je ze hebt, lopen ze weg. Maar andermans gedichten heb je soms wel. Je eigen gevoelens heb je dan, in andermans woorden. Jezelf cadeau gekregen van een ander. Victor Vroomkonings gedichten laten zich op deze manier hebben.’   Dat heeft De Coninck toen al goed gezien. Vroomkonings werk is eenvoudig, maar dat wil niet zeggen dat zijn werk ‘te’ eenvoudig is, of te licht. Zijn parlando regels vreten zich een weg door je gemoed en komen af en toe nog eens rondspoken, bijvoorbeeld als de weemoed komt. Zoals in het gedicht Nacht.
Dit is vintage Vroomkoning en bovendien ook nog eens  geschreven vanuit een vrouw; dat verwijst al vooruit naar zijn heteroniem Stella Napels, in 1997 als dichteres furore makend. Hier is iemand aan het woord die zich niet kan vastleggen, iemand die het niet aandurft volwassen te zijn, die dus ook een kind gebleven is, de minnares (of minnaar) die kan flemen en temen, voor wie erotiek een middel is afstand op te heffen, althans, voor even. ‘Nacht’ is een prachtig gedicht. Het lijkt altijd al te hebben bestaan en is toch elke keer nieuw. Je kunt het zo vaak lezen als je wilt, en het wordt nooit sleets of vervelend. Je ‘hebt’ het en je hebt het nooit uit. Het is geschreven vanuit een vrouw, door een man die voor iedereen kan schrijven.

Bernard Dewulf schreef in De Morgen van 2 januari 1988 over Klein Museum: ‘Deze bundel bevat het bewijs dat goede poëzie niet moeilijk hoeft te zijn. Vroomkoning heeft het over zijn en met een over ieders leefwereld en geschiedenis. Dit zijn gedichten voor vele lezers, niet voor slechts een aantal uitverkorenen. Er is weinig of niets “literairs” aan en toch is het goede literatuur.’ Vroomkoning poetst, zou ik er aan willen toevoegen, de binnenruit van de taal schoon en schrijft op wat hij vervolgens ziet; zonder franje of zinloze krachtpatserij, in een stijl die doet denken aan het beste van Jan Eijkelboom of Luuk Gruwez, dichters die het menselijk tekort en het lichamelijke ook wisten te verbinden in werk dat af en toe vonkt en knettert.
Wat mij het meest opviel aan zijn gedichten: hij maakt bijna altijd een vrije val, richting het bekende - en uit dat bekende vreest hij te worden geweerd. Vroomkoning gaat vaak terug naar zijn jeugd, naar (verloren) geliefdes en naar het land van de droom. Daar is hij thuis, en toch is hij nooit helemaal zeker of hij er wel thuishoort. Ik citeer wat het titelgedicht van deze bundel is geworden:
Vrije Val.

Het oeuvre van Vroomkoning is hier in veertien regels neergelegd: de dichter die, ontstegen aan de wereld van zijn jeugd, naar het hogere streeft en terugvalt in het gewone leven. Daar zit hij, met de scherven die hij tot gedichten moet zien om te vormen, altijd en eeuwig vruchteloos strevend naar het geheel waaruit hij is verdreven. Vroomkoning is, zoals alle dichters, een buitenstaander, maar wel een die heel intieme verzen schrijft waar je als lezer meteen wordt ingetrokken - de wereld die hij oproept is vreemd, maar toch bekend; Vroomkoning houdt je op afstand én weet je te verleiden. Een dichter kan, soms, heel even, iets laten zien dat al voorbij is en dat alleen binnen de regels van het gedicht nog wordt opgeroepen - en daarin misschien des te heviger bestaat. Vroomkoning kan dat. Vrije val, deze bundel dus, bewijst bovendien dat het kernoeuvre van Victor Vroomkoning niet hoeft onder te doen voor dat van de groten van zijn generatie.

Martin Carrette ( Dichter bij het Woord, weblog)
De Nederlander Victor Vroomkoning behoort al langer tot de kleine krans van mijn favoriete dichters. Wil je met zijn poëzie kennis maken, dan is ‘Echo van een echo ’uit onze bibcollectie bijvoorbeeld een goede bundel om mee te beginnen. Bovendien had ik al de kans hem te ontmoeten. Beminnelijk man, filosofisch geschoold, erudiet en eenvoudig tegelijk, met wie het plezant keuvelen is.
Met het gedicht ‘Vuilniszakken’, een ontroerend kort portret van een ouderpaar op leeftijd, die ’s morgens op de bus staan te wachten, stal hij ooit mijn poëziehart. Sindsdien heb ik de meeste van zijn bundels gelezen.
Bij ‘Model’ van de mij toen onbekende dichteres Stella Napels bedacht ik als tegenstem: Tekenles, naar levend model. Die Stella Napels bleek een heteroniem van Victor Vroomkoning waaronder hij een bundel erotische verzen publiceerde, ‘Lippendienst’,bekroond met de tweejaarlijkse Blanka Gijselenprijs midden jaren ’90! In 2013 verscheen een tweede bundel erotische gedichten, ‘Paren’,
onder zijn gewone pseudoniem Vroomkoning. Hij kent het klappen van de erotische zweep.
In de bundel staan 50 gedichten over de lijfelijke liefde, de titel is een werkwoord! Een zeer gevarieerd aanbod: er zijn anekdotische gedichten, beschouwende, humoristische, langere, kortere, sommige zijn niet veel meer dan een knappe grappige vondst, waar de dichter naarstig naar het hoogtepunt toewerkt. Andere gedichten bevatten subtiele verwijzingen naar literaire voorbeelden.
Zo roept het derde gedicht ‘De Liefde, O de liefde!’, herinneringen op aan renaissancegedichten waarin de kwellingen van de liefde worden beschreven. ‘Galatea’ verwijst naar het Pygmalionverhaal waarin een beeldhouwwerk waarop zijn maker verliefd werd, door Afrodite tot leven gewekt wordt.
‘De hoedster, de vrouw’is een pastiche op het bekende Nijhoffgedicht ‘De moeder, de vrouw’, in ‘Witheid’ echoot ‘Totaal witte kamer’ van Kouwenaar. Bij ‘Ochtendgloren’ kwam e.e. cummings’ dialooggedicht dat begint met ‘mag ik voelen’ zei hij, me voor de geest.
Het heerlijkste aan deze bundel is de ambiguïteit in het taalgebruik, waarvan ele gedichten hun spankracht ontlenen (alleen die bundeltitels al, Lippendienst, Paren). Ambiguïteit past natuurlijk uitstekend bij een onderwerp als de liefde en ze wordt al expliciet in het openingsgedicht: Post Coïtum. waarin de gelieven even mochten toeven/ in hun verloren paradijs. Ambiguïteit, subtiele suggestie, zoals in het gedicht ‘Man bijt hond’, waarin het laatste vers een dubbele lading dekt. Hetzelfde effect bereikt de dichter in ‘Huisvredebreuk’. Of neem het gedicht ‘Lopendebandwerk’, bijna letterlijk helemaal dubbelzinnig, of ‘Jutter’.
Vele gedichten krijgen daarbij nog een humoristisch of ironisch sausje, niets troost, relativeert meer dan humor ; en troost is in deze nodig, want ‘omne animal post coïtum triste’. Zo eindigt het gedicht ‘Bezegeling’ (over een obsessief puberale verliefdheid, op een postbediende – stalking is niet ver weg)

Mieke Tillema (vakTaal)
Zie het veel gebloemleesde en tot klassieker uitgeroepen gedicht Vuilniszakken. Zelden zag ik duidelijker hoe belangrijk een titel is. Al lezend knik ik mee, ja, ja zo zou je naar vuilniszakken kunnen kijken, grappig, net mensen. En dan, bij de laatste regels komt de schok, als ik me realiseer dat het net andersom is, dat ik inderdaad naar mensen kijk, dat Vroomkoning mij naar zijn oude ouders laat kijken. Met mededogen: ‘broos en weerloos’. En letterlijk uit de hoogte, kijkend uit een raam: ouders als vuilniszakken. Het gedicht dat er in de bundel op volgt, is een fase verder: Vaderdag. In de nachtmerrie van de afgelopen nacht heeft de ik zich als zijn vader in het ziekenhuis gezien en gevoeld. Zelfs als hij voor clown had willen spelen, huilend en lachend, is het overdreven: het is letterlijk geen gezicht. Hij vereenzelvigt zich met zijn vader. Zijn vaders ‘proppen’, de tampons en watten benauwden hem in zijn eigen keel tot stikkens toe, als brokken die aan ontroering en verdriet voorafgaan. Is de vader overleden? Het wordt gesuggereerd.
Na de droom, weg van het ziekenhuisbed, in zijn eigen vertrouwde slaapkamer, met zijn zoon naast zich. Continuing story? De ik herkent zich, of hij wil of niet, in de tekening die zijn zoon van hem gemaakt heeft en die hij hem op bed geeft, als geschenk voor Vaderdag. Een mooie titel voor een gedicht dat de dag aangeeft waarop hij de gelijkenis met zijn vader niet meer uit de weg kan gaan.
Er is geen ontkomen meer aan, zo toont het gedicht Spiegel, ook uit dezelfde bundel. Oog in oog staat de dichter met zichzelf, voor de spiegel. Geen droom, geen kindertekening meer nodig om te zien wat hij niet zou willen zien. Er is wel een vrolijke taalverpakking. Voor de roos: eerst denk je, even, aan een bloem. Voor de lange haarslierten over de bijna kale kop zijn er woorden uit de feestwinkel: confetti, serpentine. De baard is een guirlande die bewimpelt. De krachteloze kin wordt zo verbloemd en tegelijkertijd wordt er met die baard als met een wimper gezwaaid: de ontluistering beschreven als verhullend vlagvertoon. Het is gebeurd: de vader is ingehaald – in beide betekenissen van het woord. De spiegel maakt het onontkoombaar zichtbaar.
Ook in andere bundels van Vroomkoning komen de vader en de zoon geregeld voor. Zoals in het gedicht Stemmen. Dan zijn we weer bij de eerste fase: zo groot en zo sterk als je vader willen zijn. Zo groot en sterk moet je later zijn om met bange ogen, in bange ogenblikken toch de ontluisterende waarheid niet langer te ontlopen, maar feestelijk in te halen.

Wilma van den Akker (Meander)
Op het eerste gezicht komen de gedichten van Stella Napels wilder over dan die uit Paren. Ik ervaar de erotiek in Paren als liefdevol en veel van de gedichten zijn geestig. Af en toe deed hij me zelfs grinniken, met zijn lieve, stoute fantasietjes.

Chrétien Breukers (De Contrabas)
Victor Vroomkoning is dit jaar 75 jaar oud geworden. Anton Korteweg is pas 69. Beide rijpere dichters kwamen dit jaar met nieuw werk. De bundels hebben veel gemeen. Ze gaan over het menselijk tekort. Over erotiek. Of seks. Over ouder worden en nog steeds een sukkelaar zijn.
Vroomkoning zet met de titel van zijn bundel Paren hoog in; of laag, het is natuurlijk maar net zoals je het bekijkt. Het gaat inderdaad vaak over paren. Vroomkoning schrijft in Paren over het ontluiken, de bloei en de neergang van de lichamelijk liefde. Onverbloemd en met de weemoed van de realist verhaalt Vroomkoning over wat was en bleef van de liefde die passie heet(te). Net zoals ironie gemakkelijk kan worden misverstaan, kan het schrijven over erotiek en seks (door nota bene een oudere dichter) snel tot misverstanden leiden. In zijn nadagen heeft Adriaan Morriën dat ondervonden. De een vond wat hij schreef ‘sensitief’, de nader noemde hem ‘een oude viezerik. Vroomkoning ontsnapt aan die val, omdat hij net als Kortweg zo nu en dan ook met ironie om zich heen swaffelt. Maar in zijn beste gedichten is hij zonder voorbehoud lyrisch en geeft hij zich over aan de taal, zoals in het gedicht ‘Zoiets’. In struikelende zinnen spreekt de dichter zich uit. Over liefde, erotiek en dood. ‘Maar spreken was er niet meer bij’: het lijkt wel of hij zich nu al heeft neergelegd bij de dingen die wel gedacht en gevoeld, maar niet uitgesproken kunnen worden. Als dat soort dingen er überhaupt al zijn; misschien is wat er staat precies wat het leven voorstelt; iets is en iets gaat vervolgens voorbij. Maar het is er wel geweest en het is, met een beetje geluk, in woorden vastgelegd.

Sander Grootendorst (over Paren)
Vroomkoning denkt bij elk gedicht dat hij schrijft aan seks. Dat zou best eens voor meer dichters kunnen gelden, wie weet wel voor alle, maar weinigen schrijven het zo expliciet op. Geen behoefte aan sublimatie. Dit klinkt, zo opgeschreven, toch platter dan bedoeld en doet enig onrecht aan de bundel die één lange ode is aan het leven en aan de liefde. Hij bevat bij vlagen sublieme liefdespoëzie. Soms gebracht met de nodige zelfspot en weemoed – of een combinatie van die twee begrippen waarmee de ouder wordende man zich onverbiddelijk geconfronteerd weet. Er is maar één middel tegen al dat lichamelijk onheil en dat is, in zekere zin paradoxaal, de door Vroomkoning onverminderd lichamelijk beleefde liefde. Liefde tot de dood erop volgt. Liefde en dood vormen óók een paar. Paren tot de dood erop volgt. Vroomkoning schrijft toegankelijke gedichten, anekdotisch vaak, steeds bij eerste lezing te vatten, zonder dat hij in de valkuil van de mogelijke clichés stapt: daarvoor is zijn poëzie te eerlijk.
Een hele dichtbundel over één thema, het zou te veel van het goede kunnen zijn. Maar niemand zegt dat je een boek in één keer moet uitlezen. En op het thema paren valt te variëren tot in de eeuwigheid. Zoals werd geprobeerd in Vijftig tinten grijs. Maar die op effectbeluste bestseller verbleekt nogal in vergelijking tot de vijftig oprechte en onbekommerde gedichten die Vroomkoning de lezer te bieden heeft.

Peter Nijssen (over erotiek in het werk van Vroomkoning nav. presentatie Paren)
De gedichten van Stella Napels in Lippendienst zijn vitale, striemend -sarcastische, vileine en krachtige gedichten in een zeer eigen idioom. Ik moet er (als dat mag tenminste) ook steeds erg om lachen, ook na vijf keer nog. Woorden als ‘troetelmoeder’, ‘hittebestendigster’, ‘fluitketelend’, ‘geile spin’. ‘zaadziek’, ‘mijn hang- en sluitwerk’ zijn in deze meedogenloze context ontzettend geestig. Mental zweepslagen zijn het.
Met Paren is de cirkel rond. Zoals hij bij De Arbeiderspers begon, zo eindigt Vroomkoning ook: met seks, met erotiek. Zij het gek genoeg onder het schijnheiligste pseudoniem dat je maar kan hebben als maker van vieze versjes. Vróóm - koning. Kom nou toch! Dit werk dient gebracht te worden onder de noemer: ‘Komt allen klaar met Walter van de Laar!’ En nou ja, eindigen? Vroomkoning eindigt niet. Hij begint steeds opnieuw. En zeker in dit geval (in erotics) lijkt het alsof hij nog eindeloos meekan. Weliswaar is er in deze hete gedichten sprake van een ‘ik’ die ‘doofde in haar schoot’. Maar dit is een bundel van 50 gedichten, en na het doven laait het liefdesvuur telkens weer hoog op. ‘Liefhebben,’ staat er, ‘is nooit verflauwen, lenig/ blijven met je ogen, de krant bijhouden’. Of zoals in het allerlaatste gedicht: ‘hemelse bijval vergezelt het paren tot in de eeuwigheid.’Als dat niet van een vitaal elan getuigt! Kortom, dames en heren, vragen wij de oude meester van het parende rijm, de veelvoudige kampioen van het ejaculerende enjambement, de grootste gatendichter van de Nederlandse letteren naar voren te treden om alhier – als bijna 75-jarig Mensch en als 30-jarig dichter – het eerste exemplaar van Paren in ontvangst te komen nemen.

André Dumont (bij opening presentatie Paren)
Daarom houd ik van het werk van Victor. Hij lijkt de poëtische verwoordingen van de zuchtende en kreunende bedrijvigheid van de geliefden als geen ander te kennen. Hij gaat erin op zoals de geliefden in hun spel opgaan en hij bemiddelt ons de gevoelens die aan de ingewanden onttrokken worden. Nu zijn er die zeggen dat Victor zich pas met Stella Napels’ Lippendienst aan de lichamelijkheid der liefde gewaagd heeft. Ik geloof dat niet. De dichter heeft van meet af aan zijn verderfelijke attitude niet weten te onderdrukken. Luister maar naar zijn eerste woorden in zijn eerste strofe in zijn eerste bundel  De einders tegemoet: ‘Ze leunt met gladde buik / tegen de balustrade. / Wind beloert haar, / beroert haar, vergrijpt / zich aan haar billen.’ Zoals de wind daar bij de aanvang van zijn poëtische carrière loert en beroert, zo zal hij zelf al spoedig dat niet meer aan de wind overlaten maar zelf bil en buik beroeren en te boek gaan stellen. En vanaf heden gaat hij met Paren helemaal vrijuit.
Vroomkonings lyriek is niet alleen mooi maar ook moedig omdat hij ze bij levende lijve publiceert. De grote dichter Carlos Drummond de Andrade liet zijn erotisch werk pas vijf jaren na zijn dood verschijnen, in 1992. Mogelijk dat hij onbewust bang was voor de besmetting die eigen geacht wordt aan de erotiek en bij zijn leven op zijn ander werk op negatieve wijze had kunnen overslaan. Laat ik deze opening sluiten met nog één strofe: de eerste van zijn laatste bundel, die straks gepresenteerd wordt, Paren: Daarnet nog onbekommerd beest,/ ons lijf nu een buidel brak water./ We zijn weer terug van onze bijna dood-/ervaring na het goddelijk avontuur.

Chrétien Breukers (De Contrabas)
Tijdens de presentatie van Vroomkonings bundel op 5 oktober 2013 sprak ik, in een interview met de auteur, mijn verbazing uit over de manier waarop de anekdotische poëzie, die van het niveau van Jan Eijkelboom of Ed Leeflang of Judith Herzberg (of zelfs Jan Emmens of Riekus Waskowsky) is, de wind tegenwoordig niet mee heeft. Het is alles verwondering wat de klok slaat, of anders is het wel een soort Rietveld-verbazing die de boventoon voert, enfin, et cetera en zo voort, maar de anekdotische poëzie die well made is en zingt & zindert als in tijden van weleer: nee. (Een enkele uitzondering daargelaten, uiteraard.). Vroomkoning is zo’n uitzondering, en ook Anton Kortweg. Vroomkoning en Korteweg zijn dichters die zonder opsmuk dichten over iets dat bedrieglijk veel op het echte leven lijkt, hoewel ze natuurlijk gehaaid genoeg zijn om de lezer via hun taal in allerlei donkere zijwegen en onontwarbare betekenis- en bekenteniskluwen te lokken. Het zijn vaklui, en daarom liggen ze meestal ook niet zo goed bij het zure segment van de poëziekritiek, onder aanvoering van (bijvoorbeeld) Piet Gerbandy.

Bert Bevers (De VVL-Boekhouding)
De poëzie van Vroomkoning wordt algemeen omschreven als anekdotisch, puttend uit het dagelijkse leven maar tezelfdertijd reflecterend, waardoor zijn gedichten vervreemdend maar ook bevrijdend zijn. Het is ook leesbare en geen moeilijke poëzie: er staat wat er staat, en wat er staat wil het ook betekenen. Dit is meteen ook de achillespees van Paren.
Erotiek is meer dan alleen maar seks, het verwijst naar het complexe geheel van gevoelens en verlangens, die ermee gepaard gaan: het verhullen en onthullen. Dat is de slappe koord waarop Vroomkoning zich doorheen de ganse bundel beweegt. Elk gedicht wordt een evenwichtsoefening tussen een niets aan de verbeelding overlatende beschrijving en een metaforische beschouwing: Knielend knoopt zij hem los. Hij staat erbij / en kijkt naar de flonkerende hemel terwijl / zijn handen op haar schouders rusten. / Haar mond sluit zich om wat zij ontbond.
Om dat 50 gedichten lang vol te houden is een haast onmogelijke opgave. Je merkt dan ook dat taal zijn beperkingen heeft, dat de dichter af en toe moeite heeft met de verwoording en in herhaling valt. Zo wordt het beeld ‘kruis aan kruis’ in een aantal gedichten hergebruikt; waagt de dichter zich soms aan een te gemakkelijk en triviaal rijm: Nu alleen aan de wandel proef ik nog de amandel,...
Deze schoonheidsvlekken zijn jammer, omdat ze de spankracht van de verzen af en toe doen verslappen.
Het doet evenwel niets af van het feit dat met Paren Vroomkoning een uiterst moedige en zeer persoonlijke bundel heeft afgeleverd zonder te vervallen in narcistische navelstaarderij of opgepoetste zelfverheerlijking. Integendeel, onbevangen en kwetsbaar, beschrijft hij zijn omgaan met de lichamelijke liefde, ook als ouder wordende man. Alles verterende passie en immense tederheid voor de geliefde, de roes van de coïtus en de melancholische tristesse daarna, het is voor de dichter één samenhangend en onlosmakelijk geheel. Het openingsgedicht zet reeds de toon: Daarnet nog onbekommerd beest, / ons lijf nu een buidel brak water. / We zijn terug van onze bijna- / doodervaring na het goddelijke avontuur.
Poëzie, die enkel Victor Vroomkoning kan schrijven, suggestief en genuanceerd stilistisch uitgepuurd.

Lauran Toorians (Brabant Literair)
Victor Vroomkoning debuteerde als dichter in 1983 met de bundel De einders tegemoet. Hij was toen al vier- of vijfenveertig, want Walter van de Laar – de naam waaronder de burgerlijke stand hem kent – werd in 1938 geboren in Boxtel. Hij had Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd in Nijmegen en keerde later naar die stad terug om er te werken als leraar Nederlands. Later, in de jaren ’90, voltooide hij ook nog een studie filosofie. Vroomkonings late debuut betekent niet dat hij niet al eerder schreef. Onder meer een toneelstuk en essays over literatuur vloeiden uit zijn pen en ongetwijfeld zal er ook al poëzie zijn geweest, maar voor de grote buitenwereld trad de dichter pas in 1983 naar buiten. Bij een dergelijke carrière ligt voor de hand dat Van de Laar ook puberale (kalver)liefdespoëzie zal hebben geschreven, gedichten over Weltschmerz en grote verlangens naar zaken die op het internaat Gymnasium Immaculatae Conceptionis bij de franciscanen in Venray en ook daarna op het Sint-Joriscollege in Eindhoven zeker niet openlijk expliciet zullen zijn benoemd. Misschien is het helemaal geen gemis dat we dat prille jeugdwerk niet kennen, maar de dichter komt nu zijn vijfenzeventigste levensjaar verstrijkt toch nog met een bundel erotische poëzie onder de niets verhullende – en toch dubbelzinnige -  titel Paren.
Ook in 1997 publiceerde Van de Laar al eens een erotische dichtbundel, maar die – Lippendienst – verscheen onder het pseudoniem Stella Napels. Het masker dat toen blijkbaar nog nodig werd gevonden, is nu afgenomen. Lippendienst werd goed ontvangen en zette veel mensen op het verkeerde been. Onverholen erotische poëzie die ook nog eens goed is, en dan ook nog eens door een vrouw geschreven, dat zie je niet vaak en de wereld was inmiddels libertair genoeg om de waardering daarvoor openlijk te kunnen uitdragen. Toen de ware identiteit van de dichter uitkwam (nou ja de ware, nu werd Vroomkoning het pseudoniem) reageerden nogal wat lezers (lezeressen) geschokt, maar zonder aan de kwaliteit van de gedichten af te doen. Het pseudoniem was overigens knap gekozen. Stella is de naam van de wijk in Napels waarin zich het Museo Archeologico Nazionale di Napoli bevindt, het museum met zijn fameuze Gabinetto Segreto waarin de erotica uit Pompeii worden bewaard.
Met een dichter die zijn klassieken kent, zijn sporen verdiende en literaire prijzen won en die eerder al opviel met erotisch werk lijkt aan alle voorwaarden voldaan voor opnieuw een mooie bundel. Technisch is het in Paren ook allemaal in orde en erotisch ook – Vroomkoning weet van de hoed en de rand – maar toch bevredigt deze bundel niet. Ligt het aan mij? Zo preuts acht ik mezelf niet, maar een gedicht als Man Bijt Hond waarin de dichter beschrijft hoe hij op zijn knieën het slipje van zijn vrouw wegsnoept terwijl zij ‘door het luikje in de poort’ een interviewer van het genoemde tv-programma te woord staat, kan ik toch niet anders lezen dan als puberale flauwekul. Is dit kalverliefde, een verlate penopauze, of – zoals zo vaak in erotische kunst – een verwoed ‘kijk eens wat ik durf’? Wat het ook is, het is te plat om poëzie te zijn. Opmerkelijk is dat het gedicht ‘Op schaal’ op de pagina hiervoor mij wel bekoort. Hier wordt een mooi beeld neergezet en houdt de lezer iets te fantaseren over. Mag ik menen dat juist dat het verschil is tussen erotiek en porno? De grens is subtiel en precies dat maakt dit genre in de kunst ook zo ‘gevaarlijk’. Niet het expliciete doet afbreuk aan de poëzie, want in het gedicht ‘Van de hemel en de aarde’ waarin ‘hij’ wordt bevredigt in ‘haar mond’ blijft over de handeling niks te raden over, terwijl ik dit toch een goed gedicht vind en het met geen mogelijkheid als pornografie kan beschouwen. Het gaat dus vooral om de toon, om het beeld, om de dichterlijke integriteit en misschien ook wel om het feit dat ik bij sommige gedichten niet ontkom aan het beeld van een oude grijsaard die groene blaadjes snoept.

Anton Korteweg
Paren is echt een mooie, hier en daar confronterend bundel: één thema, maar wat een prachtige variatie aan vormen en ‘tijden’. Vroomkoning verdient veel lezers! Heb me trouwens nooit gerealiseerd dat een parend stel op een krekel lijkt, wat op de afbeelding achter in de bundel goed te zien is. Ik wens Paren een welverdiende mooie toekomst.

Bert Bevers (Weekblad De Zuid-Westhoek)
‘De einders tegemoet’ is een heel sterk debuut. Het boekje is bladzijde na bladzijde benauwend: de aftakeling van leven getekend als een doodlopende weg. Nochtans lijkt de dood de verlossing. Geschreven in een klare, heldere taal kerft Vroomkonings debuut ons de vergankelijkheid in het hart.

Ton Verbeeten (De Gelderlander)
Zelden las ik een dichter die zich zo onverholen uitspreekt over lichamelijk verval als Victor Vroomkoning. Met morbide zakelijkheid weidt hij uit over het thema dat Willem Elsschot tot poëzie verhief in zijn in 1910 geschreven ‘Het huwelijk’. Van weemoedigheid is bij Vroomkoning geen sprake. Hij beperkt zich tot de cynische beschrijving van de sleur, die een verhouding die te lang duurt aankleeft, en tot een scherpe analyse van het acute besef, dat het verval van de ander je als spiegelbeeld aanstaart. De dauw van de eerste liefde, die verkeert in een hardnekkig voortwoekerende schimmel. Daar heeft Vroomkoning het over in zijn eerste bundel ‘De einders tegemoet’ en over de al of niet zelfgekozen dood als enige uitweg tenslotte. Alles behalve vrolijke poëzie en dat geldt ook voor de drie laatste gedichten uit de bundel, die zich onderscheiden omdat ze elk een titel hebben en jeugdherinneringen als onderwerp. Maar ook gedichten, die het thema van verbal en dood en de kommer en kwel die daarmee gepaard gaan, haarscherp uitlichten. Haat tegen het leven die open en bloot wordt geëtaleerd. De Nijmeegse uitgeverij De Stiel prijst zichzelf aan met de woorden ‘Stichting voor emancipatoire literatuur’. Dat kan onmogelijk opgevat worden als aanbeveling voor het werk van Victor Vroomkoning. Emancipatoir is in dit geval hoogstens de moed om de bundel uit te geven.

anoniem (Nieuwsblad voor Nijmegen)
De debuutbundel van Vroomkoning heeft iets vertrouwds: op een of andere manier komt het allemaal bekend voor zonder dat je het kunt plaatsen, zonder dat je het kunt vergelijken met andere dichters zowel van deze tijd als met dichters van de vooroorlogse jaren. Daar tegenover staat dat hetgeen Vroomkoning inhoudelijk laat doorklinken minder vertrouwd is: de volstrekt vijandige, kille manier waarop een man en een vrouw met elkaar omgaan. De verwijdering van de man en de vrouw voltrekt zich gaandeweg en wordt vooral gevisualiseerd
door het voortwoekerende lichamelijke verval.

Michiel van Kempen (Tegenspraak)
‘De einders tegemoet’ van Victor Vroomkoning heeft alles mee om een groot publiek te kunnen trekken: het is geen poëzie waarvan je direct moet vaststellen dat er geen touw aan vast te knopen is, de gedichten zijn welluidend, er gebeurt wat in de bundel en in wát er gebeurt zullen velen iets herkennen van eigen problematiek. Dat laatste hoeft dan nog niet direct een volledige identificatie te betekenen, maar eerder een herkenning van observaties, houdingen, gedragingen op incidentele momenten. En dat is maar goed ook, want het is geen vrolijke wereld die in Vroomkonings eersteling wordt neergezet in de eerste negentien gedichten die als een cyclus te lezen zijn en waarin de verwijdering van een man en een vrouw beschreven wordt. Het knappe aan die cyclus is dat het gebeuren de lezer helder voor de geest staat, terwijl er eigenlijk heel weinig direct gezegd wordt. Zo ook merk je dat er sprake is van een epische ontwikkeling, maar je moet goed zoeken om de subtiele aanduidingen te vinden die die ontwikkeling duidelijk maken, vaak ook daarom subtiel, omdat ze uit de subjectieve optiek van de vrouw naar voren komen. Die subtiliteiten heeft Vroomkoning gemeen met dichters als Eijkelboom en Leeflang, maar dat is niet het enige wat hen verbindt. Het is ook het eindrijm dat over meer versregels heen reikt, en het binnenrijm dat de klank verrijkt.

Albert Hagenaars (bij presentatie De Laatste Dingen)
Ik ben ervan overtuigd dat het zeer zelden voorkomt, dat een dichter -en dan nog terecht- in zó korte tijd zoveel succes boekt als Victor Vroomkoning. In dat opzicht denk ik automatisch als het ware aan de literaire bliksemcarrière van dichters als Eijkelboom of Leeflang, die door hun uitgevers de ‘echte 50ers’genoemd worden, en dat doe ik dan niet alleen vanwege die poëtische Blitzkrieg, maar ook door de overeenkomsten van stijl en techniek en, voor wat de inhoud aangaat, het duidelijk kiezen voor een poëzie die men anekdotisch kan noemen. Dit is echter een bedrieglijke term, omdat gesuggereerd wordt dat de inhoudelijke spanning gevormd wordt door anekdotes, voorvalletjes. Niets is eigenlijk minder waar; juist door de spanning die Victor Vroomkoning laat ontstaan tussen het schijnbaar anekdotische en datgene waar dát naar verwijst, o.a. middels een geraffineerd eenvoudige beeldspraak die in feite een grote interesse voor de hermetische mogelijkheden van de taal verraadt, weet de dichter pure poëzie te maken, pure gedichten. Maar, zoals elke vergelijking, gaat ook deze mank. Vroomkoning is geen zgn. ware 50-er, zijn werk is thematisch veel hechter dan dat van beide andere genoemde dichters.

Ben Rogmans (KUnieuws)
De onderwerpen in De Laatste Dingen staan me bijzonder aan: het is allemaal kommer en kwel, verval, dood en lijkenlucht wat hij beschrijft. Dat zijn de onderwerpen waarover in deze tijd geschreven moet worden. Vroomkoning is geen Nijmeegse of Groesbeekse dichter, de kwaliteit van zijn gedichten is daar veel te hoog voor.

Jules Welling (Brabants Dagblad)
De verzen van Victor Vroomkoning houden zich in generlei opzicht bezig met de grote wereld, maar juist met de intimiteiten van het dagelijkse leven. De toon die hij daarbij aanslaat, is die van een gemoedelijk verteller, die in vaak prachtige beelden het doen en laten in zijn omgeving gadeslaat en verwoordt. De Laatste Dingen behandelt een afbraak- en rouwproces tussen twee mensen, de pijn van verwijdering. De kracht van Vroomkoning ligt in het feit, dat hij zich verre gehouden heeft van het opkloppen van de daarbij spelende emoties, de grote holle woorden vermeden heeft en een eigen idioom van ritme en beeldspraak heeft weten te vinden. Zijn verzen laten zich genieten als pure anekdotiek, maar zijn zo geconstrueerd dat zij moeiteloos op meerdere niveaus leesbaar zijn zonder dat de lezer verdwaalt in een netwerk van moeilijk begrijpbare abstracties. Voeg daarbij een reeds gedegen vakmanschap,zoals blijkt uit de compositie van de bundel en de dosering van elementen, en duidelijk zal zijn, dat Vroomkoning met dit debuut een stem heeft laten horen die een luisterend oor verdient. Dat kan slechts zelden gesteld worden bij een debuut. Het doet weldadig aan weer eens met volle overgave een nieuweling te mogen aanprijzen.

Michiel van Kempen (Ons Erfdeel)
De hoofdmoot van ‘De laatste dingen’ is een cyclus van 22 gedichten. Ze beschrijft de mettertijd tot steeds dieper verval geraakte relatie binnen een huwelijk. In zijn debuut ‘De einders tegemoet’ beweegt zich het hele gebeuren in één neergaande richting naar het definitieve verdwijnen van de man, terwijl er in ‘De laatste dingen’ ongeveer halverwege een wending optreedt. Door die verandering in de cyclus (de man is gestorven) is er, naast de bijna pathologische haat tussen man en vrouw, nu een dimensie bijgekomen: de vrouw blijkt nog wel degelijk een zeker, vóór de dood van haar man totaal verdwenen gewaand gevoel voor haar echtgenoot te bezitten, een gevoel dat tot uiting komt in herinneringen die het hervinden van zichzelf in de weg staan. Van een anekdotische poëzie kan hier geen sprake zijn, zoals Remco Ekkers meende. Hoewel Vroomkonings verzen in hun techniek doen denken aan die van Leeflang en Eijkelboom, verschillen zij in hun thematiek. De natuur heeft bij Vroomkoning nooit een troostende functie; veeleer verschaft zij de handelingen van de personen reliëf als een Wolkers’ decor van koude en somberte. De dominerend rol van personificatie bij Ed Leeflang is er bij Vroomkoning zeker niet, de natuur krijgt niets menselijks, is beklemmend in plaats van ademend en weids. Het is niet de natuur die iets menselijks krijgt, het zijn integendeel de mensen die iets dierlijks krijgen. Vroomkoning is ook minder veelzijdig in de keuze van locaties en scènes dan Leeflang en Eijkelboom, maar dat is voor wat het onderbouwen van de benauwende man-vrouw-relatie enkel een positief gegeven.

Henk Aalbers (De Gelderlander)
Vroomkoning is de dichter van erotiek en weemoed.
Zijn poëzie is uit het leven gegrepen.

Bert van Weenen (Meander)
Vroomkoning speelt een knap spel met taal en identiteit. Hij schrijft speelse, wendbare poëzie die heel prettig is om te lezen. Zijn gedichten zijn intieme taalspelletjes.De dood is een belangrijk motief in zijn werk. Sterven en dood vormen tevens de donkere zijde van de erotische gedichten. Bij Verstek krijgt een ereplaats in mijn boekenkast naast de bundels van geestverwant Gerrit Komrij. Ik vind dat Vroomkoning die plek verdient.

Peter Nijssen (De Arbeiderspers)
Vroomkoning is een dichter die in het naakte bestaan, de familieverbanden en de rituelen van het mensenleven de stof vindt voor veel van zijn gedichten. Juist in het dagelijkse leven valt magie te beleven.

Reg ten Zijthoff (Brabant Literair)
De toon in de poëzie van Victor Vroomkoning is vaak van een speelse melancholie, ironische weemoed, de poëzie
zowel reflecterend als visionair. Vroomkoning schrijft over de microkosmos van zijn bestaan. Met liefde, ironie en soms een vleugje cynisme, sluipt hij door zijn achtertuin en verrast met subtiele waarnemingen over het alledaagse leven en de liefde. Vroomkonings dichterschap kent geen tromgeroffel of verpletterende beelden, geen ingewikkelde binnenrijmen of Spielerei met vorm en vent. Terwijl ik zijn verzen las, kwam één beeld prominent naar voren: Cees Buddingh’die na het geweld van de Vijftigers en de reactie van Barbarber en Gard Sivik opgelucht zuchtte: Godezijdank, de sneeuw is weer wit. Vroomkonings waarnemingen blijven speels en de metaforen glijden onnadrukkelijk de poëzie binnen.

Paul Gellings (De Stentor)
Vroomkoning is een lezenswaardige en toegankelijke dichter die je op soepele manier meevoert in zijn wereld.

Peter de Boer (Trouw)
Vroomkoning is de vasthoudende beschouwer van telkens hetzelfde. Ouders, vrouw en kinderen: over hen gaat het vaak in deze poëzie, die de menselijke conditie opvoert in het huiselijke gewaad van de familiale anekdotiek. Groots en meeslepend wordt het nergens, maar niettemin haalt Vroomkoning op deze wijze wel belangrijke thema’s naar binnen. ‘Maquette-poëzie’zou inderdaad geen onaardige benaming zijn voor het soort gedichten dat Vroomkonings poëtisch ijsberen oplevert. Maar zij heeft op z’n tijd wel degelijk zijn eigen charme. Zo sentimenteel en dubbelzinnig is de beschreven werkelijkheid nu eenmaal en het is knap dat Vroomkoning dit met minimale middelen weet op te roepen. Hij schrijft over herkenbare thema’s, toegankelijke poëzie maar geen oppervlakkige. Victor Vroomkoning is een poëtische chroniqueur. Niet de grote wereld maar de dagelijkse tredgang van zijn eigen leven en dat van zijn beminden wordt in poëzie vastgelegd en voor de vergetelheid behoed. Conserverende, vrij traditionele en toegankelijke poëzie dus over het wel en wee dat het bestaan voor ons in petto heeft. ‘Voor ons’inderdaad, want de dichter mikt met zijn privé-besognes ook duidelijk op herkenning. Vroomkonings poëzie weet van het alledaagse en intieme veelal iets bijzonders, ja bij alle lichtheid van toon iets diepzinnigs te maken.

Bert Kooijman (De Poëziekrant)
Vroomkoning blijkt over een buitengewoon beeldend taaltalent te beschikken. De visuele inslag komt in de anekdotische laag van de meeste van zijn gedichten naar voren.

Wam de Moor (De Gelderlander)
Vroomkoning is, als dichter, een lieve, kwetsbare, bekommerde zoon, man en vader, die al heel zijn dichterlijk leven nadenkt over de mensen met wie hij samenleeft. Daarin is hij als geen ander verwant aan de in Vlaanderen altijd al ongekend populaire Herman de Coninck. Die overeenkomst geldt ook voor de humor die de toon heel licht houdt en vooral steunt op een mengeling van zelfspot en weemoed.

Cyril Lansink (De Nijmeegse stadskrant)
Vroomkoning put voor zijn gedichten uit zijn eigen biografische werkelijkheid. Hij weet op prachtige wijze het grootse en verheffende en het kleine en banale van deze biografie voortdurend tegen elkaar aan te laten schuren.Vroomkoning is mijns inziens op zijn best in de gedichten waarin zijn dierbaren centraal staan. In ieder geval bewijst hij dat je om veel mee te maken, je huis niet uit hoeft: je kunt je ook terugtrekken in een andere werkelijkheid, die van de poëzie.

Victor de Raeymaeker (Vrijzinnige lezer)
Vroomkoning is geen dichter die je in het gezicht slaat, omverkegelt, noch door de bedoeling, noch door de poëtische sterkte van zijn zeggingskracht. Daar is hij te gevoelig voor, te bescheiden. Maar hij is een merkwaardig dichter, een oprecht levend iemand die je toegang geeft tot gevoelens en intimiteit, zijn stille pijn, zijn innerlijk. Een eerlijk mens die op zijn best dingen schrijft die bijblijven, je doen meeleven, inzien, begrijpen. Gedichten die bij de beste van de Nederlandse dichtkunst kunnen worden gevoegd. Menselijke relaties zijn altijd Vroomkonings belangrijkste dichterlijke bronnen gebleven. Hun intimiteit en vooral de mislukking daarvan. De liefde en haar rafelige kanten. De verborgen emotionele huishouding tussen twee mensen. Melancholie om het voorbije is misschien wel de grondstemming die zijn gehele werk doortrekt. Het is herfst in zijn poëzie. Hij is de mijmeraar die het nog koud heeft als anderen gaan zwemmen. Vroomkonings gedichten zijn emotioneel geladen, zonder dat ze de emoties breed uitmeten.

Eric Kok (Noordhollands Dagblad)
Weemoed en humor overheersen Vroomkonings poëzie, die nog het meest doet denken aan die van wijlen Herman de Coninck. Vroomkoning schrijft elegant, soms subtiele vrije verzen, net als De Coninck.

Elisabeth Leijnse (Poëziekrant)
De poëzie van Vroomkoning vertoont een vrij grote consistentie in toon, thematiek en metaforiek. De toon is die van ingehouden drama, van stilte na de storm. De thematiek valt ruim samen te vatten met de drie notities ouders/kinderen, liefde en tijd waarvan de eerste twee uiteindelijk op de laatste zijn terug te brengen. En om deze grootheden te verwoorden, heeft Vroomkoning altijd al voeling gehad met ‘koude’metaforen. Het waait, sneeuwt en ijzelt in zijn gedichten, men overwintert of schaatst, eenden en vissen zitten vastgevroren in vijvers. Het is alsof de stilstand die nodig is voor de introspectieve poëzie die Vroomkoning schrijft, alleen maar in de kou kan ontstaan. Vroomkoning is een dichter die teruggrijpt: naar een reservoir van bestaande teksten waarvan sommige door hemzelf zijn geschreven en andere behoren tot de canon van de Nederlandstalige poëzie. Hij bekent zich onomwonden literair schatplichtig aan Nijhoff. Vroomkoning gaat niet uit van taal, wel van emotionele werkelijkheid. In die zin is hij ‘anekdotisch’en zeker niet taalassociatief, en sluit hij meer aan bij de generatie van zestig en niet van vijftig, meer bij Eijkelboom en Leeflang dan bij Kouwenaar. Zijn gedichten werken bij de lezer dan ook meer op herinnering en herkenning dan op verbeelding en verwarring. Omdat ze hun grond vinden in een levenservaring of levensgevoel, zullen ze bij de lezer met een gelijkaardig levensgevoel – én met een goed ontwikkeld gevoel voor poëzie – dan ook de meeste weerklank vinden.

Albert Hagenaars (Haagsche Courant)
Al vanaf zijn debuut schrijft Vroomkoning over de menselijke betrekkingen (en dus vooral over liefde, eenzaamheid en dood). Wars van welke stroming dan ook hield hij daarbij stevig vast aan zijn al vroeg gevonden stijl. Die bestaat uit onregelmatige strofenbouw, een eenvoudige zegging vol dubbele bodems, en zuinigjes gebruikte maar effectieve klankovereenkomsten. Voeg daar nog humor inclusief zelfspot aan toe. Bundel na bundel wist Vroomkoning met diezelfde middelen steeds sterkere resultaten te boeken. Terecht wordt hij vergeleken met de onlangs overleden Herman de Coninck, die hij inmiddels meestal overtreft. Vroomkoning is een meester in de schrijnende beschrijvingen; wegens zijn openheid en drang tot communicatie een dichter voor het grote publiek maar vanwege de subtiele techniek niet minder voor de fijnslijpers, de accountants van de dichtkunst!

Remco Ekkers (Poëziekrant)
Vroomkoning is een anekdotisch dichter. Hij kan naar aanleiding van beelden, ontmoetingen uit de werkelijk-heid, dieren, bloemen, mensen scherp uitgetekend neerzetten. Het is moeilijk te begrijpen waarom hij niet even populair is als Jean Pierre Rawie, of nog populair-der. Is het zo, dat je om Vroomkoning te lezen, te veel benul moet hebben van poëzie?

Herman de Coninck (De Morgen)
Vroomkoning is een sympathiek dichter. Hij is geen vuurspuwer, hij zet niet in elk gedicht zichzelf op het spel, hij doet geen adembenemende dingen met taal, maar hij kijkt nogal goed, is sober, niet ongevoelig en niet oncynisch en noteert dat alles met een pen die nooit dik wordt. Vroomkonings poëzie is authentiek, spontaan, fris, leuk en warmhartig De gedichten van Vroomkoning zijn meteen verstaanbaar, gaan over onbelangrijke huiselijke dingen als leven en dood, en ze zijn zo goed opgeschreven dat ze ook bij een tweede, derde, vierde lezing overeind blijven.

Hans Hamburger (Meander)
In de poëzie van Vroomkoning voel je duidelijk de invloed van, althans de verwantschap met generatiegenoten als De Coninck en Kopland. Maar nergens is sprake van imitatie of te klakkeloze navolging. Vroomkoning is Vroomkoning.

Mieske van Eck (Brabants Dagblad)
Vergankelijkheid is het thema van de poëzie van Vroomkoning, maar bij hem wordt het nooit te zwaar. Een milde ironie kruidt zijn gedichten. En hij peurt zelfs ontroering uit een vuilniszak.

Joost Geerts (Brabants Dagblad)
De gedichten van Vroomkoning zijn in sterke mate schatplichtig aan de werkelijkheid, lijken die vaak ook te imiteren. Hun beschrijvende aard kan daarbij gezien worden als een kluister van die werkelijkheid. Vroomkoning is geen dichter die de taal opengooit en zich laaft aan de verbeelding. Eerder dan de woorden vleugels te geven prikt hij ze op, als vlinders in een vitrinekastje. Door een maaswerk van gerelateerde termen ontstaan beklemmende miniatuurtjes

Paul van Tongeren (bij de presentatie van Verloren spraak)
Kenmerkend voor de poëzie van Vroomkoning: op de eerste plaats het grapje dat zijn poëzie soms in de buurt van het ‘ligt verse’brengt; maar vervolgens óók dat wat het van dat genre onderscheidt en – zeg maar – serieuzer maakt: de afwezigheid, maar juist geen volledige afwezigheid, van rijm; het is een soort bijna-rijm dat vaak verschijnt in zijn gedichten; of een afwezigheid die herinnert aan wat afwezig is; voorts: de sterke ritmische werking van zijn verzen, zonder dat er ooit een dreun ontstaat, maar ook – en daar wil ik het wat langer over hebben: de melancholieke gedachte die er vaak in steekt, of misschien moet ik zeggen: de denkende, en daardoor enigszins verlichte en dus niet alleen maar zwarte melancholie. Ik heb de indruk dat veel van de poëzie van Victor Vroomkoning gaat over wat voorbij is of verdwenen, of over wat voorbijgaat of aan het verdwijnen is, of zelfs over wat voorbij zal gaan, of over wat misschien al voorbij was. Zijn aandacht voor het voorbije, voor de vergankelijkheid, en daarmee voor het illusoire karakter van de tegenwoordigheid, waarmee Vroomkoning overigens in goed gezelschap is (ik noem J.C.Bloem, de koning van de weemoed, en Gerard Reve, twee dichters die mij in ieder geval zeer dierbaar zijn); deze aandacht maakt dat hij steeds weer ziet hoe alles voorbij gaat en verdwijnt, in de tijd, in de mist, of in de vuilniswagen. Een metamorfose waarin wel heel weinig van het vroegere bewaard blijft en die je ook nauwelijks een vooruitgang noemen kunt. Die aandacht van de dichter leidt tot een merkwaardige paradox. Want wat hij doet, is juist in zijn gedichten dat voorbijgaan van de tijd proberen vast te houden. Datgene wat voorbijgaat – en bijna altijd is dat de liefde – wordt in de gedichten, als voorbijgaand bewaard en – groot gezegd- vereeuwigd. Maar zoals Don Quichote wel degelijk de windmolens overwonnen heeft, zo lukt het ook de dichter verregaand om het voorbijgaan te bewaren.

Wilbert Friederichs (De Gelderlander)
Het zijn de herkenbare, fijnmenselijke schetsen die het werk van Victor Vroomkoning zijn eigen kleur geven. Maar het zijn ook schetsen die ondanks hun eenvoud en helderheid meer laten zien dan vaardig uit het krijt opgetrokken figuurtjes. Ze leggen nadruk op de bijzonderheid van het alledaagse. Ze geven blijk van het verwarrende besef dat het nieuwe een andere vorm van het oude is. En om het tegenstrijdig te houden: Vroomkonings poëzie is even nuchter als bevlogen.

Bernard Dewulf (De Morgen)
Vroomkonings gedichten willen soms foto’s zijn., met de woorden als fixeermiddel. Hun bedoeling is wat Willem van Toorn ooit puntig aldus formuleerde: Als ik ons niet noteer/zijn we er al niet meer. Overigens heeft Vroom-koning met Van Toorn ook een tegelijk luchtige en strakke toon gemeen. Vroomkoning schrijft charmante poëzie, dat heeft in de eerste plaats van doen met de plezierige, ongecompliceerde wijze waarop hij met taal omgaat. Hij is niet bang van woordspelingen, neologismen, onverwachte enjambementen en splitsingen van woorden, of het laten samengaan van letterlijke en figuurlijke betekenissen. Meestal werkt het en krijgt krijgt de weemoed geen kans om sentimenteel te worden. Vroomkoning bewijst dat goede poëzie niet moeilijk hoeft te zijn. Dit zijn gedichten voor vele lezers, niet voor slechts een aantal uitverkorenen.

Daniel Billiet (Knack)
Vroomkoning bespeelt beheerst en onderkoeld het hele register van de stilistische mogelijkheden. Speels wisselt hij beeldspraak af met alliteraties, woordspelingen met verrassende enjambementen, opvallende aforismen met rijmen. En nooit wordt het wijdlopig, maar bewust wordt zijn taalveldje compact gehouden.

Paul Demets (Knack)
Victor Vroomkoning is de intimist bij uitstek onder de dichters van dit ogenblik.

Bart Vanegeren (Poëziekrant)
In de gedichten van Vroomkoning staat precies wat er staat. Maar wat er staat, staat er door de opvallende enjambementen, de gedoseerde beeldspraak en de vinnige woordspelingen, zo verrassend mooi en fris dat het er in al zijn glorie goed staat.

Paul Bogaert (Dietsche Warande & Belfort)
Vroomkoning slaagt erin datgene wat doorgaans als een pijnlijk punt in de tijd gezien wordt, de dood van een verwante, uit te breiden tot een grotere vlek waarbinnen dat ene moment zich steeds herhalen kan.

Lionel Deflo (Kreatief)
Vroomkoning wordt nogal eens in verband gebracht met de beide laatbloeiers Jan Eijkelboom en Ed Leeflang. Wat in zijn gedichten dadelijk opvalt, is het hoog gehalte aan suggestiviteit. Wat in deze poëzie ook aantrekt is, dat er wat gebeurt. D.w.z. Vroomkoning verkoopt geen metafysische sferen, evenmin verdiept hij zich in hoogst individuele zielenroerselen, maar hij serveert gecomprimeerde verhaaltjes, waarbij hij veelal uitgaat van een situationeel of anekdotisch-realistisch gegeven. Suggestie, straks gedoceerde beeldspraak, het genuanceerde spel met woorden (woordspelingen, enjambementen) en klanken( binnen- en eindrijm, alliteraties) getuigen van een voorbeeldig vakmanschap.

Armand van Assche (Dietsche Warande & Belfort)
Zachtzinnig en heel mooi zijn de gedichten van Victor Vroomkoning.

Duco van Weerlee (als aanprijzing van Klein Museum)
Dit is prachtige poëzie, simpel en dwingend, magisch en ontroerend, authentiek, eigenzinnig.
Een nieuwe Nijhoff of Achterberg wat mij betreft. Warm aanbevolen.

Michiel van Kempen (in Kritisch Literatuur Lexicon)
Het meest wezenlijke voor Vroomkoning is dat de werkelijkheid bestaat uit een beperkt aantal relaties die alle datgene in zich dragen wat de dichter in een interview noemde ‘de onontkoombare breking’. De voornaamste beweging tussen de personen is dan ook de verwijdering, de belangrijkste gewaarwording: de vervreemding. Die wordt daar het schrijnendst waar de ik zich realiseert dat het anders zou moeten, maar niettemin in onmacht blijft steken. Naar de vorm heeft Vroomkoning veel gemeen met dichters als Ed Leeflang, Eva Gerlach en Jan Eijkelboom: gebruik van het jambische metrum, eindrijm dat over meer regels heen reikt en veelvuldig gebruik van het binnenrijm.

Juryrapport voor toekenning van de Karel de Groteprijs 2005
De jury beoordeelt het dichtwerk van Victor Vroomkoning als een authentiek geluid in de kakofonie van de Nederlandstalige poëzie. Dat geldt voor de thematiek van zijn gedichten en ook voor de aan deze thematiek aangepaste toonzetting en literaire vorm.

Chrétien Breukers (Dagblad De Pers)
Vroomkonings poëzie heeft, ondanks de bijna terloopse taal die hij hanteert, een hoog soortelijk gewicht. Na Eijkelbooms dood lijkt Vroomkoning de enige kandidaat om de eretitel ‘meest toegankelijke dichter van Nederland’over te nemen.

Henk de Jager (Ons erfdeel)
Dichten als het bevriezen, het conserveren van de tijd, de dichter als restaurateur en beheerder van het verleden en het boek als een klein poëtisch museum, zo zou ik Vroomkonings poëtica, voor zover deze zich uit de bundel Klein Museum laat afleiden, willen typeren.
Wat opvalt aan Vroomkonings poëzie is zijn voorkeur voor bestaande uitdrukkingen, spreuken en zegswijzen. Hij plaatst ze bij voorkeur in een context waarbinnen ze letterlijk gelezen dienen te worden. Bijvoorbeeld de openingsregel van ‘Proef’: ‘Ik zet mijn zoon op sterk water’. De tweede strofe maakt ons duidelijk dat de vader met zijn zoon gaan schaatsen. Vroomkoning is voor mijn gevoel op zijn best in zijn meest persoonlijke en directe verzen waarin hij met heldere droefheid, inzicht en verrukking weet te dichten over de dingen die hem werkelijk ontroeren..
Vroomkoning is een meer episch dan lyrisch dichter, hij is een verteller. Het is geen moeilijk toegankelijke poëzie die hij schrijft, wat niet wil zeggen dat er op thematisch niveau weinig diepgang te bespeuren zou zijn; de hechte relatie water-erotiek-dood is hiervan een goed voorbeeld.

Miel Vanstreels (Appel)
De poëzie van Victor Vroomkoning lijkt me een typisch voorbeeld van ‘poëtisch realisme’. Vanuit een anekdote of een gedachte wordt een gedicht geschreven dat zich kenmerkt door (makkelijk toegankelijke) metaforen, woordspelingen en dubbele bodems. Regels op zo’n manier afkappen dat de lezer op het verkeerde been wordt gezet is een veel gebruikte tactiek. De toon is wat weemoedig en relativerend. Nergens zijn er uitschieters in de richting van pathetiek of cynisme.

Wam de Moor (in Het formaat van waterland)
Dat hij dicht om schrijvend zijn leven een extra dimensie te geven, bewijst elk gedicht. En daarbij heeft Vroomkoning zich vanaf zijn debuut een excellente natuurdichter getoond, die kijken kan als geen ander, niet alleen naar binnen en zichzelf, maar ook naar buiten.

Jasper Mikkers (bij presentatie Ommezien)
Vroomkonings gedichten zijn onverwisselbaar. Ze zijn van edelstaal, glanzend, hard en onverwoestbaar. Ik ben ervan overtuigd dat ze niet zullen worden aangetast door de tijd en ook over tweehonderd jaar gelezen zullen worden. Een opvallende kwaliteit van zijn werk is, dat hij geen concessies doet. De gedichten zijn er niet om te behagen, zijn poëzie snijdt door de ziel. Snijdend analyseert Victor de lagen van zijn en indirect ons denken en voelen en hij laat zien wat hij daarbij ontdekt. Tegenover die analytische werkwijze staat een van elk sentiment gezuiverde empathie en het is dat contrast: messcherpe ontleding en menselijk mededogen die de spannende, integere poëzie oplevert die we in Ommezien kunnen vinden.

Peter Nijssen (bij presentatie Ommezien)
In vijfentwintig jaar heeft Vroomkoning een oeuvre opgebouwd om u tegen te zeggen. Niet alleen in kwantitatieve zin (met dertien reguliere dichtbundels en vele honderden gedichten) en niet alleen omdat hij als veelgebloemleesd dichter en winnaar van de Publieksprijs 2005 een bij een breder publiek geliefde dichter is, maar ook omdat dat oeuvre grote intrinsieke kwaliteiten bezit.

Daan Cartens (bij presentatie Ommezien)
Vroomkoning is bij uitstek een dichter die vanaf zijn eerste publicaties al hoog inzet en hoe kan het anders: hij is geen dichter die heeft gekozen voor duistere metaforen, of niet dan na jarenlange studie te ontraadselen gedichten, nee, Vroomkoning dicht zijn leven.Speak memory heet dat onwaarschijnlijk kervende boek van Vladimir Nabokov over zijn jeugdjaren, zijn afkomst en ik heb vaak gedacht dat die titel van een boek over een onvergelijkbaar verleden eigenlijk het beste motto zou kunnen zijn voor het inmiddels omvangrijke werk van Victor Vroomkoning: geheugen spreek, spreek alsjeblieft, want zonder woorden zijn wij niets dan wezen in het land van ooit. Wie niet om kan zien, wil zien, kan niet vooruit, we leven juist bij de dag van gisteren om die morgen te herkennen.
Het dichterschap van Victor Vroomkoning heeft zich in de laatste kwart eeuw sterk ontwikkeld, dat lees je aan Ommezien af, zijn onderwerpen is hij trouw gebleven. Wat lichtdrukmalen uit het dagelijkse leven lijken, zijn in werkelijkheid beschrijvingen van de ijkplaatsen van het dichtersleven, de bronnen van weemoed en melancholie. Wat er was, is niet verdwenen, is er nog, sterker zelfs: wordt verhevigd door de nauwkeurige en vooral rake beelden van de dichter Vroomkoning.
Als ik het goed zie, bestaat zijn werk uit drie categorieën gedichten die in elke bundel voorkomen en zelfs in elkaar overlopen. Allereerst, en hij heeft daar beslist naam mee gemaakt, zijn er de verzen die zijn gewijd aan zijn geboortegrond Boxtel, zijn ouders, hun leven en hun einde. In de gedichten over de kinderen spiegelen de generaties zich en laat de dichter karaktertrekken en uiterlijkheden met elkaar duelleren. Dan zijn er de gedichten over de verrukkingen en onmogelijkheden van de liefde, de tijd doorgebracht met de geliefden, die nooit blijkt uit te monden in een bestendige band, maar in tijdelijkheid. Onrust drijft het dichtershart en dat blijkt ook uit het derde type gedichten, waarin de dichter zijn eigen leven en lot met doorgaans milde ironie onder de loep neemt.
Vroomkoning roept veel herkenning bij zijn lezers op. Want al zijn onze vaders misschien geen bakker geweest, de ouderlijke twisten en verzoeningen, de geleidelijke aftakeling van mensen die je voorbeeld waren, het zijn sensaties die we zelf maar al te goed kennen en ons vertrouwd zijn. Het klinkt zo gemakkelijk, te makkelijk: je licht een scene uit de anekdotiek van elke dag, of uit het g rote plaatjesboek van het verleden en maakt daar een goedlopend en aansprekend gedicht van. Maar ga er maar eens aanstaan. Het lijkt gemakkelijker dan het is en als iemand het wel kan, dat bewijzen de honderden bladzijden van Ommezien dat. Victor Vroomkoning is op een heel zuivere manier authentiek en dat is geen geringe kwaliteit.
Ik zou hem onrecht aandoen om hem alleen te prijzen om zijn mildheid, zijn getemperde agonie, de gestolde levenservaring. Hij is ook een heel goed erotisch dichter, een man bij wie het hartstochtelijk vuur nog lang niet is geblust, zo dat al ooit zal gebeuren. In elke bundel vind je wel enkele proeven van deze drift, maar allesomvattend is de erotiek natuurlijk in de de Stella Napels-gedichten die zo goed zijn omdat ze vaak staccato-achtig klinken en refereren aan de litanieën en beeldspraak van de Moederkerk.
Dat Victor Vroomkoning stadsdichter was van Nijmegen blijkt uit een aantal gedichten die ook in Reislust zijn opgenomen. Gedichten die duidelijk maken dat Vroomkoning ook bij gelegenheid scherpzinnig, geestig en met een geoefend oog voor het detail uit de hoek kan komen. Een gedicht als De brug, over de Waalbrug bij nacht, mag wat mij betreft tot de klassieke Nijmeegse gedichten gaan horen.

Chrétien Breukers (Literatuurplein)
In de loop van de jaren ontwikkelde Vroomkoning zich van een dichter in opkomst tot een veelbelovende dichter, waarna hij de laatste tien jaar een echt goede dichter is geworden. Hij is niet zozeer een laatbloeier, als wel een langzaamaanbloeier. Vroomkoning was, in mijn optiek, een vaardige dichter, maar ik had zijn werk niet volledig in de smiezen. Dat kwam pas later, toen hij eind jaren negentig en in het begin van deze eeuw kwam met bundels als ijsbeerbestaan (1999), Bij verstek (2002) en Stapelen(2005).
Bij het vasthouden van Ommezien besefte ik dat ik een groot deel van een oeuvre in de hand hield, een oeuvre dat ik in de loop van de jaren had zien groeien, zich had zien ontwikkelen. Dat zijn werk, dat ik altijd als zich ontwikkelend, als vlottend en onaf ha

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon