Vincent en Marc en ik

Het waarom en hoe van een vers (Vincent groet ’s morgens de tinten uit bundel Stapelen)

Tot de meest aansprekende werken van Van Gogh behoort ongetwijfeld De Slaapkamer, bedoeld als wanddecoratie (dus als kamer in de kamer). Hij wijdt erover uit in brieven aan broer Theo en aan Gauguin, die samen met hem kort daarna zijn nieuwe huis in Arles zal bewonen.’Het is deze keer eenvoudig mijn slaapkamer’, schrijft hij Theo over een nieuw doek van 30 centimeter, ’alleen moet ditmaal de kleur het doen en doordat zij door haar vereenvoudiging aan de dingen een grotere stijl geeft, de rust of de slaap in het algemeen suggereren’[ de cursivering is steeds van mij VV]. Dit drievoudige hoogtepunt (Van Gogh maakte er twee ietwat afwijkende kopieën van) ontleent zijn kracht aan de grote mate van intieme huiselijkheid en vooral aan de afwisseling van de kleurvlakken, ‘vlakke en zuivere tinten als in Japanse prenten’ zoals hij het zelf zegt. Van Gogh beschrijft in zijn brief aan Theo uitvoerig de kleurstelling van het doek. Het toont de drie complementaire kleurparen én het zwart-wit van de spiegel. ‘Ik had’ schrijft hij Gauguin,’met al die uiteenlopende kleuren een volstrekte rust willen uitdrukken, zie je, en waarin het enige wit de kleine noot is die de spiegel met zwarte rand geeft (om er nog het vierde paar complementairen in te stoppen)’. Wit zou volgens de schilder de andere uitgesproken kleuren verzachten. In de twee kopieën zou hij de spiegel helemaal wit schilderen, rustpunt voor het oog.

Het doek moet een huiselijke sfeer creëren waarin hij zich geborgen voelt. En wat bergt er in huis meer dan een bed? Dit tweepersoonsbed, dat een flink stuk van het doek inneemt, geeft de kamer ‘iets degelijks, duurzaams en kalms’, schrijft hij broer Theo. Enfin, het zien van dit schilderij moet rust geven aan het hoofd, of liever gezegd aan de verbeelding. Het forse van de meubels moet ook onverstoorbare rust uitdrukken’. Zijn slaapkamer zag hij als de rusthaven. Hij vergelijkt zichzelf in een brief met een wever, een mandenmaker die hele jaargetijden alleen doorbrengen met hun werk als afleiding ‘Maar hetgeen juist maakt dat die mensen op hun plaats blijven, dat is het gevoel thuis te zijn, het geruststellende en vertrouwde gezicht van de dingen.‘

Het doek bevat in feite een hommage aan zijn nieuwe woning, de eenvoud ervan vooral van die van de slaapkamer. Het heeft hem ‘enorm veel plezier gedaan om dat interieur van niets te maken’ bekent hij Gauguin. We krijgen een beeld van Van Goghs binnenkamer, letterlijk en figuurlijk, uitzonderlijk voor deze natuurdichter. We zien de kamer waarin hij elke morgen ontwaakt; en zoals we dat van hem weten: vroeg, als de ogen nog niet vermoeid zijn.

Sinds zijn aankomst in Arles raakt Van Gogh niet uitgekeken op de kleuren, vooral de frisheid ervan. Het is alsof hij opnieuw leert zíen, alsof hij een nieuw palet ontdekt heeft. ’Het palet van tegenwoordig is absoluut kleurig: hemelsblauw, roze, oranje, vermiljoen, hoog geel, heldergroen, helder-wijnrood, violet. Maar alle kleuren opvoerende, komt men opnieuw tot kalmte en harmonie. En geschiedt er iets dergelijks als met de Wagner-muziek die met een groot orkest uitgevoerd daarom niet minder intiem is. Als een kind zo blij en naïef schildert hij erop los, zowat elke dag een nieuwe prent (..) En alle echte koloristen zullen ertoe moeten komen te erkennen dat er een ander kleurengamma is dan dat van het Noorden.’schrijft hij Theo uit Arles, als hij er juist gearriveerd is. ‘Dit omringd zijn door kleur is immers voor mij geheel nieuw en windt mij buitengewoon op.Ik kan er niets aan doen, ik voel me heel lucide’.

Een zevental jaren na Van Goghs dood ziet Paul van Ostaijen het licht. Hij zal overigens nog jonger (als hij 32 is) sterven. Van het begin af aan, maar vooral in Het Sienjaal, toont de dichter zijn voorliefde voor het engagement in de mens, in de expressionistische kunstenaar vooral. Zo wijdt hij een vijfdelige cyclus aan Van Gogh, Vincent van Gogh, die hij bewondert om zijn messiaans-profetisch kunstenaarschap ( ‘Een venster is alles./ De ganse wereld ligt binnen één venster’.). In deze cyclus wordt Van Gogh voorgesteld als de vader van de dichter: ‘Heel jong,- nauwelijks had ik je herkend -, heb ik gevraagd;/ ‘Vader, die kiezel is zo schoon,’ Van Ostaijen voert Van Gogh sprekend op in het vierde gedicht van de cyclus: ‘De stem van Vincent’.
Later zal Van Ostaijen een van zijn bekendste gedichten schrijven: Marc groet ’s morgens de dingen ( in: Nagelaten Gedichten):

MARC GROET ’S MORGENS DE DINGEN

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn.

Beschouw je dit vers technisch, dan valt de associatie op in combinatie met variërende herhalingen, elkaar echoënde verseenheden. Het is een syntactisch en inhoudelijk eenvoudig gedicht. Er is vooral névenschikking (zoals bij complementaire kleuren), geen onderschikking. Opvallend is zeker de aandacht voor het formele ritmisch-muzikale aspect in dit vers: het moet het nadrukkelijk van de klánk hebben (de klankkleur als men wil). Naar titel, vorm en woordkeuze wijst dit gedicht op spontanëiteit, op ongereptheid, de kindertijd, het primitieve. Logica en verstand lijken buiten werking gesteld. Later zal Van Ostaijen zich in opstellen uitspreken voor het belang van de klank, de muzikaliteit van de taal, het gedicht. Hij wenst te improviseren ’op het orgel van het onderbewustzijn’. Het gedicht moet spontaan en associatief uit zichzelf tot stand komen. Voorbeelden van deze lyriek vond Van Ostaijen in de volkslyriek en de kinderpoëzie. Zijn belangrijkste inspirator was Guido Gezelle.
Daarmee is niet gezegd, dat het bovenstaande naïeve mozaïekje het alleen van de blije klank zou moeten hebben. Integendeel.
De dingen die Marc begroet, zijn hem vertrouwd, ze maken deel uit van zijn wereld; het zijn zeker geen objecten, het zijn voor de jongen lévende dingen die hij begróet. Ze zijn belangrijk voor hem; hij staat er ’s morgens mee op. De dingen behoren tot zijn wereld en hij is kennelijk blij dat hij ze, na de nacht waarin alles afwezig schijnt ter zijn, op hun juiste plaats weervindt. Daar zijn ze de gezellen van de ochtend: realiteiten waarmee hij kan praten. Eigenlijk is er geen scheiding tussen hem en het ventje met de fiets op de vaas met de bloem. Speels (‘ploem ploem’)maakt het nog deel uit van zijn eigen bestaan. Misschien groet hij wel zichzelf.
Het gedicht leert ons wat díngen zijn: dingen van het huis, waargenomen en begroet door een kind, dingen die met elkaar samenhangen, hoe los zo ook in het huis staan. De dingen van Marc zijn van hém: het laatste woord is: ‘mijn’. De wereld is de wereld-voor-hem. Marc is in-de-wereld, Marc groet ’s morgens zíjn dingen, waardevrij, open, fris.
Het gedicht geeft de ervaring van samenhang: zo is het goed, zo was het, zo herken ik het. Het kind (be)groet: spreekt de wereld uit, zou Heidegger zeggen (de wereld is de samenhang der dingen). In dit gedicht ontluikt via de klank het woord (via de kleur de gestalte). In dit gedicht ontluikt de wereld. Het onbevooroordeelde kind kijkt naar de dingen; onbevangen kijkt het om zich heen, geeft de dingen een naam. Je zou kunnen zeggen dat hier een kleine fenomenologie van het kijken uit de doeken wordt gedaan (zoals bij Van Gogh uit hét doek wordt gedaan: kijk eens wat er is!).
Marc is het kind in ons, dat gewekt wordt als we de moeite nemen om ons heen te zien alsof we de dingen voor het eerst zien. Het gedicht is een oefening in kijken met de ogen van een kunstenaar, een dichter, een schilder. Het gedicht is een scheppingsgedicht: de dingen worden bezield, worden woord, krijgen betekenis. Door de dingen te benoemen, te begroeten via de taal, scheppen we (de wereld en onszelf daarin): in den beginne was het woord.
In dit gedicht is de wereld nog één.. Marc bezielt de dingen door ze te begroeten, hij is er nog niet van (onder)scheiden, er zijn nog geen breuken, geen objecten. De wereld van Marc is nog gesloten, harmonieus; er is nog geen zelfbevestiging, zelfreflectie. Hij zal zichzelf ook nog geen ‘ik’, maar Marc noemen, veronderstel ik.

Nadat ik het verzoek kreeg een vers voor/over Van Gogh te maken, heb ik al het bovenstaande overwogen en heb ik het vers geschreven dat nu in Stapelen staat.

VINCENT GROET ’S MORGENS DE TINTEN

Dag prentje met het blauw en het bruin en het groen
ploen ploen
dag wit in de spiegel
dag zwart om de spiegel
dag beddeke-bed met het geel
en
dag beddeke-bed met het rood
rood en geel
van het beddeke-bed
goeiendag

Daa-ag bed
dag lief bed
dag klein beddelijn mijn

Ik heb in klank en woord en opmaak een hommage aan Vincent van Gogh gebracht aan de hand van Van Ostaijen, een van zijn grote bewonderaars.
Ik heb in het gedicht de wereld van het kind, het kinderlijke, het blije, het frisse, het nieuwe tot uitdrukking willen brengen zoals me dat toeschijnt uit Marc groet ’s morgens de dingen zowel als uit De Slaapkamer. Ik heb niet zomaar bijvoorbeeld ‘dingen’door ‘tinten’vervangen omdat er klankovereenkomst is maar omdat dat nu juist de wezenlijke zaken zijn waarom het gaat. Was Van Ostaijen geobsedeerd door de klank, Van Gogh door de kleur: ‘Ik ben ten enenmale gepreoccupeerd door de kleurwetten’schrijft hij Theo.
Het gaat zowel in het gedicht en het doek om een kamer, een binnenkamer, om huiselijkheid, geborgenheid, een wereld waarin het kind zich thuisvoelt, het kind in de kunstenaar, in ons, in mij. Want ikzelf ben natuurlijk ook aanwezig in het vers: ik ben Marc, en Vincent zelf.En als het goed is: de lezer eveneens. Zo moet er naar het schilderij van Van Gogh gekeken worden, is mijn indruk: met de ogen van een kind: kijk eens wat een heerlijke vrolijke kleuren: dag geel, dag wit! Het is de intimiteit vooral die mij getroffen heeft in het doek van Van Gogh; jammer dat hij er zo weinig hiervan geschilderd heeft.
Als elk schilderij een zelfportret is, dan is De Slaapkamer geslaagd: hier zie je het interieur van de schilder: létterlijk: zijn binnenste binnenkamer: opgeruimd, vrolijk, in harmonie, de wereld van een kind, de zuivere kunstenaar. Het schilderij dat hij de vorige dag gemaakt heeft, begroet hij die vertrouwd is met zijn kleuren, die in kleuren leeft.: ’Dag prentje met het blauw ‘etc. Marcs kamer is als die van Van Gogh: vertrouwd en weer fris tegelijk. Voor de lezer, de kijker: een leerstuk in zien: kijk eens wat er (steeds weer) voor dingen, wat er voor tinten zijn. Moge iedereen ’s morgens , élke morgen, zó wakker worden met het dichterlijk oog van Vincent en van Marc. En een beetje met dat van mij. Góede morgen.

Nijmegen, geschreven op 21 juni 2004, de langste dag om te (be)kijken

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon