Poëziekrant 2006

interviews-poeziekrant

Poëziekrant, Jooris van Hulle, jrg. 30, nummer 5, oktober-november 2006.

Met de 15 gedichten uit de cyclus ‘Toe dan’ richtte Victor Vroomkoning in zijn bundel ‘Bij Verstek’ (2002) een monument op voor zijn moeder. In ‘Bedrijvigheid’ (uit de bundel ‘IJsbeerbestaan’ – 1999), het gedicht dat hij nu, zovele jaren later, nog steeds beschouwt als zijn poëtisch manifest, stond het reeds te lezen: ‘Vanaf mijn eerste dag / zocht ik mijn ouders / in mijn ouders tot hun / oogopslag vanmorgen.’ In zijn recente bundel ‘Stapelen’ is het de beurt aan de vaderfiguur om met een uitgebreide cyclus gememoreerd te worden.

Hoor mij, ik spreek zijn taal

In de nieuwe bundel focus je doelbewust op de vaderfiguur, waarom niet in de titel?
‘Ik had een opdracht gekregen van fotograaf Antoine van der Maesen die een boek voor ogen had waarin hij Nederland in woord en taal aan het buitenland wilde laten zien. Hij had twaalf dichters gevraagd, bij een markante plek uit de provincie waar ze woonden of gewoond hadden, een gedicht te schrijven om daar later foto’s bij te maken. Voor mij lag de keuze snel vast. Stapelen is een landgoed met een kasteeltje in mijn geboorteplaats Boxtel in Noord-Brabant. Het boek zou in 2005 gepubliceerd worden. Nu had ik rond die tijd weer een aantal gedichten klaar liggen – het was overigens drie jaar geleden dat ik mijn laatste bundel had gepubliceerd – en ‘Stapelen’ leek me, in overleg met Peter Nijssen, mijn redacteur van De Arbeiderspers, wel een geschikte titel, omdat de vadercyclus weliswaar prominent is, maar alleen in de eerste afdeling van de bundel en vooral omdat hier ook de betekenis gaat meespelen van het opeenstapelen van een aantal gedichten. In het componeren van een bundel trek je als het ware een soort bouwwerk op, met de afzonderlijke gedichten als bouwstenen ervan.’

Je verschillende bundels vertonen thematisch een sterke samenhang, in zoverre zelfs dat ze klinken als de ‘Echo van een echo’ zoals de in 1990 verschenen bundel heette…
‘Ik heb nu eenmaal geen verbeelding… Ik moet het hebben van de dingen die ik meemaak. Ik vertrek altijd van een autobiografisch gegeven, van de dingen die ik om me heen ervaar, hoe klein ze ook zijn, en daarna verzin ik erop los, zoveel als mij uitkomt en voor zover het gedicht dat verlangt.. Het gaat bij mij om de kleine dingen die ik, vanuit hun anekdotische gegevenheid, binnen het gedicht een algemeen-menselijk karakter wil meegeven. En vaak zijn het inderdaad echo’s van echo’s: het leven herhaalt zich nu eenmaal in alles. De hele mens is één herhaling van wat hij van het begin af aan meemaakt.’

In hoeverre blijft het voor jou als dichter een uitdaging om telkens weer die echo’s te laten opklinken?
‘Je gaat uiteraard niet zomaar schrijven. Ik geloof dat ongeveer anderhalf miljoen Nederlanders poëzie schrijven. Vaak doen ze dat op het verkeerde moment, ze gaan zich te buiten aan letters om bijv. hun liefdesverdriet te verwerken in plaats van te wachten tot dat verdriet is weggeëbd. Voor mij gaat het bij het dichten om vakmanschap, waarbij je je als dichter heel bescheiden opstelt en je niet aan het gedicht opdringt. Ik heb nooit vooraf voor een bepaald gedicht een vorm in mijn hoofd. Het gedicht schrijft zichzelf, je vertrekt van een woord en dat woord roept weer andere woorden op, die in hun onderlinge samenhang zinnen gaan vormen. De dichter die zoals Michelangelo zijn beelden uit het marmer bevrijdde, het gedicht uit de taal bevrijdt. In het creatieve proces, zo heb ik ondertussen geleerd, merk je dat het gedicht uiteindelijk veel sterker is dan jijzelf.’

Om nog even terug te keren naar vroeger, naar een vorig leven als dichter bijna: word je nog graag herinnerd aan Stella Napels, de ‘andere Vroomkoning’ die erotische verzen publiceerde?
‘Dat is een hachelijke kwestie. Het is een experiment van mij geweest. Ik wilde een erotische bundel schrijven. Nu, erotische bundels vormen een zeldzaamheid in de Nederlandse literatuur. Ik wilde het mij in mijn erotische verzen extra moeilijk maken door te vertrekken vanuit een vrouwelijk ik. De gedichten kwamen er vrij snel, in een golf bijna, een 25-tal gedichten in een paar maanden tijd. Ik stuurde ze onder de naam van mijn moeder, Mathilde Lippens, mondjesmaat op naar de Revisor en ze werden tot mijn grote voldoening alle gepubliceerd, wat voor mij meteen de bevestiging was van de kwaliteit ervan. Op de bijeenkomsten waar de nieuwe nummers werden gepre-senteerd, kon ik niet aanwezig zijn, want ik wilde mezelf niet blootgeven. Toen heb ik de hele reeks ingestuurd voor de Blanka Gyselenprijs in Sint-Martens-Latem. Ik werd verzocht aanwezig te zijn op de prijsuitreiking - tussen de regels door kon ik lezen dat ik de prijs had gewonnen – en stel je de verrassing voor van de juryle-den, van Roland Jooris en Lut de Block vooral, toen daar Victor Vroomkoning verscheen om zogezegd in naam van zijn ‘goeie vriendin Mathilde Lippens’ de prijs op te halen. Nu ja, buiten mijn toenmalige partner was op dat moment niemand op de hoogte, ik had zelfs een postbus geopend voor de correspondentie op naam van Mathilde. Maar toen deed zich het probleem voor dat ik het geld dat aan de prijs verbonden was, niet meekreeg, want ik kon niet bewijzen dat ik in naam van mijn vriendin was gekomen. Ik moest het paspoort van de prijswinnares opsturen. Mijn moeder was toen 88….. Ik heb dan maar haar paspoort gevraagd van zoveel jaren terug en zo is de prijs uiteindelijk toch bij mij terecht gekomen.’ Waarvoor ik haar paspoort nodig had, vertrouwde ik zelfs háár niet toe.

Maar hoe kwam je dan tot de figuur van Stella Napels?
‘Sint-Martens-Latem is één verhaal. Maar op zeker moment moest ik als Victor Vroomkoning in Arnhem lezen. In het publiek zat genoemde Peter Nijssen van De Arbeiderspers. Die vroeg me werk op te sturen. Nu had ik mijn manuscript onder de naam Mathilde Lippens al bij hem liggen… Hij kon dus kennelijk geen link leggen tussen het werk van Mathilde Lippens en dat van Vroomkoning. Even nadien kreeg ik een brief, bestemd voor Mathilde Lippens, dat een publicatie overwogen werd. Toen moest ik wel bekennen wie achter de naam schuilging. Nijssen heeft het steeds geheim gehouden. In onderling overleg hebben we daarna de naam Stella Napels gekozen omdat ik mijn moeders naam niet op de cover van een erotische bundel wilde. Maar in de titel van de bundel, ‘Lippendienst’, is die nog zichtbaar gebleven. Er is meteen veel over geschreven, hij werd goed ontvangen, tot Vrij Nederland op zoek ging naar de identiteit van Stella Napels. Toen die bekend werd, was het gauw gedaan met de positieve respons. Sommige critici spraken zelfs onomwonden van pornografie. Het is kennelijk in poëzie not done dat een dichterlijk ik niet strookt met de sekse van de maker, wat in proza heel gebruikelijk is. Was ik de naam Mathilde Lippens blijven gebruiken, dan was er misschien niets aan de hand geweest, want die kende men uit De Revisor. Nu ja, ik moet nog af en toe optreden als Stella Napels. Maar nieuwe verzen zal zij niet meer schrijven….’

Voor de bundel ‘Stapelen’ kreeg je, na een bescheiden campagne die je hebt gevoerd, de Publieksprijs 2005. Een bekroning die van de lezers kwam…
‘Ik denk dat dit te maken heeft met het soort verzen dat ik schrijf: toegankelijke poëzie die ook heel herkenbaar is. Lezers hebben er iets aan. Ik probeer, zoals ik je reeds zei, te vertrekken vanuit het private, vaak anekdotische standpunt en dat dan op een hoger niveau te tillen. Ik denk dat dit een wezenlijk kenmerk is van mijn poëzie.’

De twee afdelingen uit de bundel, ‘Stapelen’ en ‘Zeven-heuvelenweg’, zijn geografische aanduidingen, die ook elk afzonderlijk een situering in de tijd inhouden.
‘De titel ‘Stapelen’ verwijst behalve naar het landgoed naar het opstapelen van herinneringen, van gedichten ook. ‘Zevenheuvelenweg’ heeft voor mij hetzelfde effect: behalve een bekende weg in mijn voormalige woonplaats Groesbeek is de Zevenheuvelenweg voor mij de levensweg, het jezelf tegenkomen op de weg met de heuvels en de dalen. Alleen ligt deze afdeling die in de eerste plaats inzoomt op de volwassenheid en het ouder worden, verder in de tijd dan de openingsafdeling, die over mijn jeugd gaat.’

In de zeven heuvelen zag ik ook een verwijzing naar het oude Rome, een meer mythische dimensie dus.
‘Niemand heeft mij hier tot nu naar gevraagd. Zelf heb ik er pas aan gedacht toen de bundel al verschenen was. En wat het mythische karakter betreft: ik vind dat de vaderfiguur zeker mythische allures heeft, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Vakwerk’ waar ik naar de Schepper verwijs. De hele vadercyclus heeft mythische aspecten.Ik meen trouwens dat dit inherent is aan de poëzie die ik schrijf. Sommigen noemen die onderlaag filosofisch, anderen mythisch. Peter de Boer zegt in ‘Trouw’: ‘dat Vroomkonings poëzie van het alledaagse en intieme veelal iets bijzonders, ja bij alle lichtheid van toon iets diepzinnigs weet te maken.’

Het titelgedicht ‘Stapelen’ leunt bijna aan bij het poëtisch proza, terwijl de andere gedichten uit de bundel strakker van vorm zijn.
‘Het heeft te maken met de Dommel, het riviertje dat langs het kasteel en door Boxtel meandert. Door in het gedicht de Dommel te laten stromen, drong de vorm zich spontaan op: het gaat om de herinneringen die meanderend naar het einde toe uitlopen.’

Het gedicht bevat ook, vanuit thematisch oogpunt dan, alles wat verder aan bod zal komen, van de kindertijd tot de volwassenheid.
‘Van de dromen van de kindertijd tot de eerste, voorzichtige beleving van de erotiek en dan de reflectie, ‘sinds je de maat der dingen kent’… Daarom is het trouwens zo’n breed gedicht geworden. In zijn eerste vorm was het gedicht ook een soort stapel: zeven versregels, dan zes, ten slotte vijf. Pas later is het in zijn definitieve vorm van drie maal zeven versregels gegoten, evenveel regels over alle afdelingen van het leven.’ Dat ‘Stapelen’ in zijn opbouw op die manier correspondeert met het getal ‘zeven’in ‘Zevenheuvelenweg’ is een toevallige maar geen onopvallende bijkomstigheid.

Een aantal zaken in het gedicht vragen toch wat nadere uitleg. Zo heb je het over ‘het plaatselijk bloedwonder’.
‘Dit gaat terug tot de tweede helft van de veertiende eeuw, rond 1370. Een priester die de mis deed in de Sint-Petruskerk te Boxtel had na de consecratie de kelk met witte wijn omgestoten waarna de vlekken op het altaarkleed volgens de overlevering rood kleurden. Hij nam de altaardoek mee om die in de Dommel uit te wassen, maar de vlekken bleven. Op zijn sterfbed heeft hij het hele verhaal opgebiecht en sindsdien spreekt men van ‘het heilig bloedwonder’. Boxtel werd een bedevaartsplaats; nog steeds trekt jaarlijks de Heilig Bloedprocessie door de straten daar. In het gedicht zinspeel ik met ‘bloedwonder’ en ‘nisje’ ook op de ontluikende vrouwelijke sexualiteit.

In het gedicht durf je ook in onbruik geraakte woorden te gebruiken als ‘de suisse’. Wie in godsnaam weet nu nog wie of wat de suisse was….
‘De suisse moest in de kerk instaan voor de orde. Het bijzondere was dat de suisse over wie ik het hier heb, aan de ingang woonde van het kasteeldomein. Hij was suisse in de Sint-Petruskerk en tegelijkertijd een soort parkwach-ter die ook toezicht hield op wat in het park rond het kas-teel gebeurde. Daarom schrijf ik over hem dat hij je ‘ver-dreef / met het eendagsliefje uit je proefondervindelijk paradijs’. Dat het woord niet meer bekend is… is het niet de opgave van de dichter woorden weer op te poetsen, ze weer te laten oplichten in hun glans van weleer?’

Na het titelgedicht volgen drie gedichten waarin de moeder centraal staat, daarna een gedicht over de beide ouders en dan de vadercyclus. Heb je bewust deze compositie nagestreefd?
‘Absoluut. Als kind sta je aanvankelijk het dichtst bij de moeder en langzaam maar zeker komt de vader in je leven en neem je afstand van de moeder. In mijn poëzie zijn ze beiden even liefdevol aanwezig, maar voor mij hoort de vader, net als in zoveel andere gezinnen, toch op een uitgesproken manier bij de volwassenheid. In ‘Bij verstek’ had ik trouwens al een cyclus aan mijn moeder gewijd, zij het dan op een heel andere manier. Ik laat daar immers mijn moeder zélf aan het woord.’

In ‘Voorlichting’, met de sprekende aanvangsverzen ‘Als je op slecht papier schrijft / krijg je vezeltjes aan je pen’, verbind je de erotiek nadrukkelijk met de genese van je dichterschap.
‘De uitspraak van mijn moeder verwijst impliciet naar de oorlogstijd, toen je veel slecht papier had en we inderdaad nog leerden schrijven met de kroontjespen. De pen associeer ik op haar beurt met de penis, en zo krijg je een dubbele gelaagdheid.: pas op voor de mogelijke gevaren van al te onbesuisde avontuurtjes.’

Je moeder was, zoals blijkt uit het gedicht ‘Bomal’ heel bezorgd om haar zoon, vroom (de naam ’Vroomkoning’ !!) ’ ook, ze bond ‘lapjes in een ijlboom: Maria / zou mijn hoogtevrees genezen’.
‘Dat vrome heeft te maken met een autobiografisch gegeven. Mijn moeder is in Antwerpen geboren. Op haar twaalfde kwam ze, tijdens de Eerste Wereldoorlog, als vluchtelinge in Boxtel terecht bij pleegouders die een bakkerij hadden. (In het gedicht ‘De eerste’, in de bundel ‘Echo van een Echo’, staat dit: ‘Dat het in Antwerpen gebeurt waar /moeder twaalf is geweest als ze / uit de oorlog naar de jongen vlucht / die zij mijn vader maakt in Holland’ – j.v.h.). Later ‘kreeg ze roeping’, zoals dat heet en trad ze in bij de Witte Nonnen. Ze ontving haar eerste wijding, ging naar Afrika om er het geloof te verspreiden, maar kwam daar tot het inzicht dat haar roeping uiteindelijk niet sterk genoeg was. Ze kwam terug naar Boxtel,waar ze mijn vader heeft leren kennen die als knecht in de bakkerij werkte. Later hebben ze de zaak overgenomen.’

Misschien toch even hier: wat is een ijlboom?
‘Ik weet niet of het woord bestaat. (in Van Dale staat het alleszins niet vermeld – j.v.h.) Het is een boom waar je lapjes in hangt om ziektes of aandoeningen van jezelf of van anderen te laten genezen. Een soort votiefboom dus. Bij ons in Nijmegen is er een ruïne met daarbij een boom en die hangt vol stukjes goed, er opgehangen door men-sen die geloven dat de boom een helende kracht heeft.’

Al even intrigerend in het gedicht zijn de slotverzen: ‘Ik vatte passie voor het hoge / op maar in het dalen stierf ik.’
‘Het stijgen en het dalen in het leven…. Op de berg raak je misschien even aan het goddelijke, maar daarna, dalend, kom je weer in de alledaagse realiteit terecht. Afgezien daarvan verwijst het naar het helaas simpele feit, dat ik hoogtevrees heb. ’

Tussen de moeder- en vadergedichten in staat ‘Boxtel, be-vrijdingsdag’: ‘De 24ste van wijnmaand: / dag waarop je ouders zich verbonden / dag waarop ze werden bevrijd’.
‘Boxtel werd bevrijd op 24 oktober 1944; mijn ouders zijn gehuwd op een 24ste oktober. Juist de antithese tussen ‘zich verbinden’ en ‘bevrijden’ sprak me hier heel erg aan. Als je je verbindt in een huwelijk, dan geef je een stukje vrijheid op. In mijn bundel ‘Oud zeer’ schrijf ik daar al over in ‘Analoog’: ‘Je zoon moest jou erop wijzen: / sluiting van een huwelijk, begint / het dan of is het afgelopen?’.’

Met ‘Vakwerk’ introduceer je de vaderfiguur, dit als opstap naar de cyclus ‘Voor brood alleen’. Het gedicht zegt veel, zoniet alles over de manier waarop hij met zijn werk bezig was….
‘Ik vind het een van de mooiste gedichten uit de bundel. Eerst zegt hij niet van sneeuw en ijs te houden, daar komt in de dooi alleen maar rotzooi van, maar dan ziet hij, ook in het winterlandschap, zijn werk weerspiegeld. Het werk van de Schepper die hoe dan ook alleen maar bakker kan wezen…’

Je hebt het heel bewust ook over ‘witbrood’, onder de oorlog een teken van rijkdom en luxe.
‘Exact! Bakkersgezinnen hadden het betrekkelijk goed in oorlogstijd. Nu is witbrood ongezond…. Natuurlijk moet het in het gedicht allemaal wit zijn: de sneeuw, de meelbestoven vader, poedersuiker….’

De vader die ook ‘malend wakker blijft binnenin’…
‘Mijn vader blijft in mij malen, is uiteraard dubbelzinnig. Ik raak er inderdaad ook niet los van. Maar aan de andere kant vind ik het niet onplezierig dat ik het zo ervaar. Mijn ouders hadden heel graag gehad dat ik de bakkerij over zou nemen, maar al snel bleek dat het een andere kant met mij zou opgaan. Nu merk ik wat het betekent voor een vader als hij zijn werk niet door kan geven aan zijn zoon. Dat mooie van iets doorgeven van geslacht op geslacht, de herhaling…. Ik probeer het nu een beetje in mijn verzen te doen: Hoor mij, ik spreek zijn taal.’

De cyclus ‘Voor brood alleen’ opent met een proloog en vat dan het hele leven van je vader samen in de dagen van de week. Dat opent voor jou als dichter perspectieven om dat vaderportret breed open te trekken. Uiteindelijk benader je de vaderfiguur heel behoedzaam, zoals reeds gesuggereerd wordt in de ‘Proloog’ bij de cyclus: ‘Laat ik voordat hij mij ontvalt / het wagen hem te leggen / in de bedding van het vers’.
‘Je moet zo’n man neerzetten maar tegelijkertijd weet je dat het een heel hachelijke onderneming is. Aan de ene kant wil je een ode brengen aan hem, maar evengoed wil je hem laten zien in al zijn menselijkheid, in zijn kleinheid ook. Hij wil misschien zelf wel eens uitbreken, de sleur van alledag achter zich laten, maar zijn probleem is dat hij alleen maar kan bakken, of zoals het luidt in ‘Dinsdag’: ‘Zo weinig weet hij vrij te zijn / levenslang leeft hij voor brood alleen.’ Zodra hij dat scheppingsproces loslaat, weet hij zich geen raad. Dat heeft iets tragisch. Overigens, het was vooral mijn moeder die de touwtjes in handen had en hield, zoals ik suggereer in ‘Zaterdag’: ‘Het werk is nog maar half gedaan / of alle knechten malen om hun geld. / Zij krijgen hun verdiende loon / nooit dan door moeder uitbetaald.’

In ‘Latijn’, een gedicht uit de bundel ‘Bij verstek’, schrijf je over je vader: ‘Hoe het huis wekelijks meeleefde / als hij neerstreek, steeds hetzelfde / ritueel, zingend onderaan de trap, / flarden Latijnse mis, dronken / tenor….’ De vader die toch durft uit te breken?
‘Hij had een mooie tenor, hij zong Latijn, maar hij verstond er weinig van. Het stijgen en dalen waar we het al over hadden: tijdens het zingen, als hij boven op het koor staat, raakt hij even aan het goddelijke, en dan komt hij weer beneden en duikt hij het café in. Nu ja, daar slaat hij ook weer aan het zingen, maar je begrijpt dat dat nog weinig met Latijn te maken heeft…’

Voor mij is een van de ontroerendste gedichten uit de cyclus het slotgedicht ervan, ‘Zondag’. Een intimistisch tafereel, ‘vader zaait een arm naar moeder uit’, ‘zijn hand (…) plukt de bloemen van haar jurk’.
‘Het gedicht staat een beetje zelfstandig. En toch blijft alles rond het bakken draaien: hij ‘zaait’ zijn arm uit, hij ziet het koren staan, op de achtergrond blijft de molen wieken… Hij is wel vrij, het is wel een wolkeloze dag, maar alles om hem heen herinnert hem aan zijn roeping als bakker; de vraag is hoe vrij hij zich dan voelt.’

‘Zevenheuvelenweg’ is dan in de bundel de afdeling over de volwassenheid. In het titelgedicht schrijf je o.m.: ‘Wie tijd bestrijdt schakelt naar / eeuwigheid.’ Het klinkt pro-grammatisch: het schrijven tegen de vergankelijkheid in?
‘Het gedicht is inderdaad eigenlijk het enige dat de strijd enigszins wint, het biedt de mogelijkheid, op een of andere manier de vergankelijkheid niet zozeer te ontwijken, maar ze toch te bezweren. Ik beschrijf in het gedicht een fietstocht over de heuvels, vandaar het anekdotische beeld van het schakelen; het gedicht is gesitueerd in het heuvellandschap van Groesbeek; op een van de heuvels ligt de Canadese Begraafplaats, daar valt de fietser, daar houdt misschien het leven op, want zoals ik al eerder heb gezegd: de Zevenheuvelenweg staat voor de levensweg.’

In de afdeling blik je in het gedicht ‘Goffertpark’ terug op je loopbaan in het onderwijs. Je hebt het over ‘veertig jaren roeping’ en over ‘de ongerichte zoete weemoed in wat over is’.
‘Ik ben er de man niet naar, af te geven op wat mij hoe dan ook voldoening heeft geschonken. Ik heb veel aan poëzie gedaan met mijn leerlingen, hoewel dat bij de schoolleiding en ook bij sommige leerlingen op licht verzet stuitte. In het gedicht is sprake van ‘dichtertje spelen’: ik wilde de leerlingen niet zozeer opleiden tot het dichterschap (want hoe doe je dat?), alswel hun dichterlijke natuur aanspreken, dichterlijke mensen laten zijn tijdens die paar uren per week. Het leverde jaren achtereen door henzelf gemaakte dichtbundels op, maar vooral een alternatieve kijk op het schoolse leven en het leven daarbuiten.
Later ben ik filosofie gaan studeren aan de Nijmeegse universiteit, maar als ik wel eens terugkom op de plek waar ik toch zovele jaren les heb gegeven, dan is er de weemoed, die ‘zoete weemoed’ die heel mooi kan zijn.’ Vreemd eigenlijk, dat mijn hele leven zich tussen school- en collegebanken heeft voltrokken.

Ook de erotiek komt haar rechten weer opeisen. In ‘Handspiegel’ bijv., of in ‘Inhaalproefwerk’.
‘Het gedicht ‘Handspiegel’ is een heel intiem gedicht, dat ik geschreven heb naar aanleiding van ‘De mooie dagen’ van Balthus. Het heeft iets van de oudere man die naar het jonge leven kijkt en terwijl hij aan de piano zit en er een nocturne uit streelt, zijn verbeelding de vrije loop laat, zonder kwalijke bijgedachten. Ook in ‘Inhaalproef-werk’ heb ik het verlangen naar diezelfde zuiverheid willen oproepen. Het verlangen is er, maar het zet niet aan tot daden. Het is de confrontatie met wat je achtergelaten hebt, die jeugd, het zuivere. Het hele gedicht is als een echo van het gedicht ‘Meisjes’ (uit ‘Echo van een echo’), waarvan de slotverzen luiden: ‘Soms ben ik weer een jongen als ik / thuiskom van een transparante dag’.

Echo’s zitten ook in de manier waarop je omgaat met werk van anderen: ‘Vincent groet ’s morgens de tinten’, of ‘Appelaar’, een gedicht ‘Voor Pallieter’.
‘In ‘Appelaar’ gaat het behalve over erotiek inderdaad ook over het lenen van de wereld van een ander. Je schrijft nu eenmaal in een traditie, waar je je poëzie in kunt passen door bijvoorbeeld een titel gewijzigd over te nemen of alluderend te verwijzen naar werk van anderen.’

Aan het begin van ons gesprek zei je al dat je geen verbeelding hebt. Maar dan is er het gedicht ‘Magisch realisme’….
‘Als je kind bent, zit je boordevol fantasie. Iedereen maakt dat mee. De dingen die ik opvoer in het gedicht, behoren tot die overgeleverde kinderwereld: de fee met toverstaf, het elfje op de bank, het paard op het dak, het spook in de kast…. Maar daarna komt de ‘beeldenstorm’, dan is het afgelopen. Heel even soms is er nog de ‘flits van hiervoormaals’, zie je weer iets uit de verbeeldingswereld van je jeugd, maar ervaar je al snel dat de werkelijkheid weer de bovenhand krijgt.’

Schrijvend over de vriendschap, zoals in ‘Het schouwen van vriend K’ haal je er o.m. Aristoteles, ‘Griek A’ bij.
‘Het gedicht is, zoals de titel suggereert, uitgesproken beschouwend. Ik ben helemaal niet moralistisch van aard, maar ik heb hier de vriendschap in die zin uit willen lichten dat je, als je een goede vriend hebt, daar heel veel van jezelf in terugziet, in hem jezelf herkent.’ Als ik Aristoteles goed begrepen heb, beschouwt hij de vriendschap als de voornaamste deugd.

In ‘Heet’ beschrijf je dan weer op een heel directe manier het liefdesspel…
‘Het gaat inderdaad om mensen die louter seksueel gericht de liefde bedrijven. Het dierlijke heb ik uitgelicht, het hete, de koorts. Daarom ook de slotstrofe, waarin een ándere koorts wordt beschreven, een die het gevolg is van een ziekte en met een ‘smeltbom’, lees : zetpil, analoog aan de penis, bestreden wordt. In tegenstelling tot met wat voorafgaat is het vlees nu driftloos…’

Anderzijds: woorden schieten te kort als het erop aan komt de gevoelens van liefde te verwoorden. Daarom het gedicht ‘Alsof’?
‘De Grote Woorden over de liefde… je hoort honderd-duizend keer per dag ‘I love you’, het is een holle frase geworden. Daarom:‘Laten we spreken alsof / we nog steeds niet / van elkaar houden / het ontzagwekkend oordeel verzwijgend.’ Laten we het niet zeggen, maar weten dat we van elkaar houden.’

Ten slotte: de bundel wordt afgerond met drie gedichten die letterlijk naar de dood leiden: ‘70’, ‘80’ en ‘Hein’.
’De onontkoombare Hein…. Zo omvat de bundel meteen de hele levenscyclus, van de moeder en het kind tot de laatste afspraak, die met de dood. Van Eros tot Thanatos’.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon