Reislust

reislust

De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen 2008 (verschenen als onderdeel van Ommezien)

Een selectie:

Overpeinzing

Vanmorgen was ik nog een spelend kind
in een tuin vol beelden, vanmiddag een
jongleur met toverballen op een marktplein,
in de schemering een hemellichaam aan een
trapeze zonder net, maar met de avond viel
ik uit mijn luchtig leven in het vlees terug
van een schouwer, zijn twee handen om mijn
kop gevouwen, overdenkend hoe het kind
dat in mij opstond zoveel nog te denken gaf.

Dit gedicht is opgedragen aan Henk van Zuiden t.g.v. het verschijnen van zijn jubileumbundel Ik schreef het toch, uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem april 2008

De tuin en de dood

Een avond in de tuin van mei
overal vergeet-me-niet, je zoon
en jij schouder aan schouder
tegen de schemer.

Hoe wil je na je dood? vraagt hij.
De adem van de nacht strijkt
langs je arm, hoe machtig warm
de lente ook mag zijn.

Jaren eerder jij met eendere vraag
naast jouw vader in zijn tuin. Je her-
haalt wat hij daar zei: De grond in,
zoon, zand erover en vergeet me niet.

Engelen

Wie bedacht het hemelwezen engel,
wie de engelbewaarder voor persoonlijke
bijstand, wie de engel in de vrouw?
Mijn beschermengel naast me vleugellam

terwijl ik driehonderd tweeënzeventig vlieg-
angsten uitzit tijdens vlucht OS 372
- nog net geen SOS – van Amsterdam naar
Wenen. Om te janken inderdaad.

Weliswaar in de wolken maar geobsedeerd
door de oplichtende boodschap:
'Ausgang - Exit’.

Dan verschijnt, hemeltje lief, gouden vleugels
aan een borst, een blauwe engel met ruimte-
spijs. Ik word haar onverschrokken kapitein.

Museumbezoek

Mijn lief gaat wat graag met me naar een museum
ten einde de dienstdoende lokettiste erop te kunnen
wijzen dat ik recht heb op reductie wegens 65+.
Soms moet ik mijn ouderenkaart laten zien.
Met ‘Dat geeft u hem toch niet, zeg nu zelf,’ ontlokt
ze - jong als een dochter - complimenten en bravootjes.
Ik haar museumstuk, zij mijn wakkere suppoost.

Reportage

Eertijds schoot je albums vol bezienswaardigheden:
een obelisk, een grot, een toren, een bergengte
met in het brandpunt het object der dienstdoende
geliefde, standjes makend op bevel.

Tot op een dag je oog meer wilde dan je tijd-
gebonden Ding an sich en je haar naar de rand
toe dreef.

Soms mocht ze half nog voor een ophaalbrug
of met een kwart rug aan de reling van een veerpont.

Nu leg je de woestijnen vast, zeeën van zand.

Reislust

Je reist, verlaat het eigene, ontwaart je vrees
voor het onvertrouwde. Alles is oefening
leren oude wijze Grieken. Kwestie van
zelfbeheersing, zo versta je.

Je hoeft er land noch deur voor uit, het vreemde
verschrikt het diepst nog in jezelf. Kwestie van
zelfkennis, zo begrijp je.

Je huivert als je over de allernaaste heen-
gebogen de ander ontmoet, jezelf verliest,
de kleine dood vindt.

Reizen is aanvaarden, elke tocht een oefening
voor je vaart naar het schimmenrijk, een door-
gronden van je angst voor de aan jou gelijke,
voor de uiteindelijke u.

Dit gedicht is geschreven op verzoek van de Stichting Burgemeester Daleslezing t.g.v. de 10e editie van de lezing op 26 januari 2007 in het stadhuis van Nijmegen

Wijn

Er is wat mee geknoeid!

Neem nu Eligius van den Aecker, priester te Boxtel A.D.1380.
Stoot tijdens de H. Mis de geconsacreerde kelk om. De altaar-
doeken kleuren lichtrood. Hij wast ze in het water van de Dommel
maar krijgt de vlekken er niet uit waarmee de transsubstantiatie
van wijn in Christus’ bloed bewezen is volgens wonderdeskundigen.

Neem nu Victor Vroomkoning, dichter te Groesbeek anno 1980.
Stoot tijdens een etentje een roemer om. Servet en tafellaken
kleuren bloedrood. Hij stort 750 gram ‘Jozo zuiver keukenzout’
uit over de vlekken en wég zijn ze, waarmee is aangetoond dat het
zout der aarde sterker is dan het sap der wijnrank volgens Bartjens.

Ergo: vertrouw op de werking van zout, niet op die van het geloof.

De brug

Vreemdstil is het, water kabbelt, niets herinnert aan
de ingespannen dag. De Steven slaat drie maal.
Zuster maan verwarmt de brug. Uit het oosten
komt een zeilboot aangedreven. Langs een jakobs-
ladder stijgen zeven stervelingen door tot op
de boog, verdwijnen in een hemelplooi.

Overdag last de brug grond aan grond, is ze ding
voor druk vervoer, ’s nachts zweeft ze van haar
pijlers los, bindmiddel tussen stroom en firmament,
haar baldakijn lucide aanzet tot een hemelvaart.

Bij dag is ze plat bedrijf, bij nacht vervoering
voor de enkeling die hoogte zoekend haar ontmoet.
Zonder boog zou deze brug niet meer dan massa zijn,
haar hoogheid spant zich waar ze opzien baart.

(met ‘De Steven’ is de St.- Stevenskerk te Nijmegen bedoeld)

Jonkerbos war cemetery 1939-1945

Aan gene zijde van het stadion dit amfitheater
met ruim zestienhonderd ligplaatsen sinds ’45
uitverkocht. De grasmat heet hier zoden omdat
dat rijmt op doden. De tuinman, manusje van
Hein, is er met zijn maat de regenmaker die
water uit de grond slaat om de planten, niet
om wat niet meer bestaat. Vier reuzenconiferen
houden de erewacht. Ze reiken naar de hals van
FiftyTwoDegrees, men spreekt hier Engels.

Een bronzen zwaard slaat een kruis over de
graven waarvan de witte stenen strak in het
gelid staan. Uniformer kan het niet in de dood
zijn alle rangen opgeheven. Eromheen wolken
rododendrons omwille van hun klank. Vlinders
twinkelen om buddleia’s, duiven zijn er voor
de symboliek. Op 26 juli ‘42 kwam een kist
met drie sergeanten neer, hun graf houdt ze
bijeen. Anderen liggen onbekend, niet Johannes
Leendert van der Swan, waarom rust hij in
deze vreemde bodem van zijn land?

Sommigen zijn in het open veld gebleven,
anderen kwamen onder eiken terecht, spreek-
woordelijke overlevers, weer anderen bij
kastanjebomen waarvan de vruchten straks
voor het oprapen als zij toen.Twee stenen
staan terzijde alsof de doden iets op hun
geweten hebben. Hun resten weet de tuinman
zijn hier zoekgeraakt onder schoenlappersplant,
vrouwenmantel, schildersverdriet. Hier en daar
een krans van papieren poppies, een lieve Britse
groet waarvan de echo zestig jaar moet over-
bruggen. Struikjes rozen voor de uit de vuren
hemel gevallen engelen.

Hoeveel moeders wenen nog om hoeveel
zonen in den knop gebroken.
- Their name liveth for evermore -

(Dit gedicht is geschreven naar aanleiding van de herdenking van de gevallenen tijdens de Tweede Wereld-oorlog van wie velen het leven lieten bij de bevrijding van Nijmegen en omgeving in september 1944; dit eerbetoon vond plaats op 15 september 2006; FiftyTwoDegrees is het beeldbepalend gebouw nabij het Goffertstadion vlakbij de begraafplaats; poppies verwijst naar Poppyday, Klaproosdag, waarop de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog en de oorlogen die volgden worden herdacht)

Dag mevrouw, dag U,

U bestaat al ruim twee weken niet meer
tussen ons, mensen. Op 6 december, sterfdag
van Sint Nicolaas, patroon van zeelieden en
reizigers, werd u uit de Waal gehaald.

Ik zeg het u omdat ik niet weet of u dat weet.
Maar waarschijnlijk verstaat u mij niet want
u kwam van verre aangedreven, is me verteld.
Misschien kan een hemelse tolk u helpen.

Misschien kende u de Griekse mythen en
veronderstelde u dat de stroom waarin u
zich liet zakken, het water van de Doden-
rivier was, en dat u aan de overkant de

Elysese Velden zou aantreffen, maar u
spoelde aan in Nijmegen, aan de Oosterhoutse
Dijk, in een vreemde stad, een vreemd
land, niet Grieks, helemaal Hollands.

Of misschien wilde u terug naar waar u
zoals alle mensen -waterdieren als ze zijn -
vandaan kwam: de onvergankelijke oceaan.
Misschien wilde u helemaal niet ter aarde

besteld maar eeuwig blijven drijven en
dacht u daarbij aan uw moeder, aan de
warme schoot waarin u had gelegen.
Alles is ‘misschien’ aan u want wat weten

wij van u? Wat is uw naam, waarom en
waar, en hoe, wanneer zocht u het water?
Hoe oud u bent, of u hebt liefgehad of u
bemind werd, kinderen hebt, is mysterie.

Wat wij zeker van u weten, is dat u er niet
meer bent, dat uw geest uit u geweken is.
En dat we ondanks uw afwezigheid hier
met u zijn om u een laatste groet te brengen.

Wij wensen u een goede rust in deze
vreemde grond, misschien dat een van
uw naasten zich nog eens over u buigt
en ontfermt. Dag mevrouw, dag u.

(Dit gedicht is binnen een etmaal geschreven voor een zgn. eenzame uitvaart; deze vond plaats op de rooms-katholieke Begraafplaats Jonkerbos te Nijmegen, 22 december 2006)

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon