Poëzieroute Boxtel - Liempde

poezieroute1

14 gedichten in de openbare ruimte, van Victor Vroomkoning, Albert Megens en Jasper Mikkers

poezieroute2

poezieroute3

poezieroute4

poezieroute5

poezieroute6

poezieroute7

poezieroute8

poezieroute9

poezieroute10

poezieroute11a

poezieroute11b

poezieroute12a

poezieroute12b

poezieroute13a

poezieroute13b

poezieroute14a

poezieroute14b

14 gedichten in de openbare ruimte, van: Victor Vroomkoning, Albert Megens (beiden geboren in Boxtel) en Jasper Mikkers (woonde in Liempde, gemeente Boxtel).

Op 29 mei 2011 werd de Poëzieroute Boxtel feestelijk geopend door wethouder Anton van Aert. De gedichten zijn door Genoveef Lukassen gezeefdrukt op halftransparante kunststof platen. Tegelijkertijd verscheen de desbetreffende route-leporello, uitgegeven door Hoenderbossche Verzen (Uden). Hierin staan o.a. de zes gedichten van Vroomkoning: Boxtel, Vakwerk, Koren, Stapelen, Scheiding en De Dommel, aangevuld met de gedichten Proef, Boxtel-Bevrijdingsdag en het naamloze verzetsgedicht op de Kampina.

Koren

Er was een kind in een klas
sidderend van stilte, het sloop
door het open hoge raam,
kroop in een tak van de wijde
eik die het schoolplein over-
schaduwde, nestelde zich in
de kroon, zag terug over het
land waarop het zich zijn moeder
waande koren bijeen bindend,
tranen in haar verre ogen omdat
het onder haar vandaan kwam.

Scheiding

Ik moest van huis om sprookjes
te verleren. Hoe kon ik nu weer
zweren dat buiten poedersuiker
was gestrooid?

Ik liep te dolen aan moeders
zomen. Zij deed mij van de
hand waar mijn koffer haar
te lastig viel.

Die verschrikkelijke sneeuwman
van mijn vader zou wel zeer staan
vloeken in zijn bloembedauwde
baard. Ik zag de knechten bij de
oven verstijven van het ijs dat uit
zijn ogen pegelde.

Op het perron waren wij alleen
nog woordelozer dan voorheen.
Sneeuw hing haar een sluier om.

De trein, reusachtig wittebrood,
rees uit de verte op.

Zij kwam mij nooit zo na
als toen ik afstand van haar nam.
Ik werd haar verre bruidegom.

Proef

Ik zet mijn zoon op sterk water.

Wij staan tegenover het kasteel.
De ring van ijs slaat
duizend bruggen tegelijk.

Van de kant af moet hij
weer staan en lopen leren.
Hoor hem van angst eens
fantaseren dat het barst.

Hij houdt zich aan
mijn panden overeind.
Zijn tong gaat stilaan liggen.

Wij naderen het slot.

De rug tegen de muur herkrijgt
Brugmans zijn praatjes.

Hij glijdt branie van mij weg.

Boxtel

In den beginne is de Dommel doorwaadbaar
bij een plek met beuken: Buochestelle, zeg
maar Boxtel eeuwen dichterbij waar heren
heersen over boeren, daarom ‘heerlijkheid’.

Het krijgt een wonder: gemorste witte
wijn lekt uit als heilig-bloedverlies.
Jaarlijks trekken bedevaarders naar de
doeken om Christus’ bloed erin te zien.

Brand! Brand! in een stoet van vijftien-
veertig: de halve have heen, jaren achtereen
doen rovers van Van Rossum, Staatse troepen,
Spaanse ruiters dat op eigen wijze over.

Als tussen klompenmakers en wevers ijzer
in een knoop is gelegd, ligt Boxtel midden
in de wereld halfweg Wesel-Amsterdam.
Groot wordt het als wisselplaats. Wie er over-

stapt tracht te beklijven. Na WO-II is dat
gedaan. Wat blijft over voor de nieuwe eeuw?
Eendjes op een wapenschild dat Petrus tilt,
miniburcht Stapelen met geestelijke heren,

De Kleine Aarde voor solide leven,
een school schilders om de fiere toren,
belvedère boven het dorp aan de rivier
dat het is gebleven, wonder inbegrepen.

Vakwerk

‘Praat me niet van sneeuw en ijs,’
sprak mijn meelbestoven vader
terwijl hij witbrood in de rijs-
kast schoof, ‘daar komt maar dooi van.’

Maar toen hij ´s avonds in de maan-
overgoten kerstetalage van zijn tuin
heenkeek over het bruidssuikeren
gazon, de borstplaten vijver,
de marsepeinen beelden op hun
sokkels van fondant, knorde hij
voldaan: ‘Het kan niet anders
of de Schepper moet een bakker wezen.’

Stapelen

Op zijn gracht vond je het schaatsen uit, zijn waterput
was je eerste geluidsinstallatie, je zwierde er naar de
maan op de breugeliaanse kermis, verdwaalde in zaagsel-
mozaïeken op processiepaden, kerfde je klein bestaan
in een der reuzen, toetste aaibaarheid in de pikdonkere
holtes van zijn rododendrons. Alles sprookje toen
je buiten je dromen durfde te wedden dat het bestond.

Je ontdekte de Heilige Maagd in haar grot vlakbij en
de geheimenis van het plaatselijk bloedwonder maar
liever geloofde je in de meisjes hun nisje en je eigen
vlees en bloed in een kano op de Dommel, je slangen
van armen meanderend om hun aanbeden lijfje. Soms
verstoorde de suisse je wankel evenwicht, verdreef je
met het eendagsliefje uit je proefondervindelijk paradijs.

Het ligt er nog, je jeugdig landjuweel, onaanzienlijk
Brabants leen sinds je de maat der dingen kent, samen-
raapsel van stijlen en bouwsels waaromheen je leefde,
kantelen voor de vorm om kasteel te heten. Je zou leren
hoe het kind erin opging, de jongen er zich vergat, naar
hun staat geschapen als het was en onveranderlijk bleef.
Je keert er weleens terug om je weer Stapelen te weten.

De Dommel

Wij zijn terug op de Zwaanse Brug
waar zij mij vraagt haar ooit weer
lief te hebben als die middag op de
bodem van de boot waarmee vader
vroeger op de Dommel moeder
naar zich toe roeide.

Vraag het me niet op een brug,
zeg ik, maar in een boot die lichter
dichter over water ligt.

Boxtel, bevrijdingsdag

Zes ben je ’s morgens in de kelder
waar je ouders hun trouwdag vieren.
De Zwaanse Brug springt de hemel in
hun dak.’s Middags krijg je kauwgom
op de markt van de yankees
die stiekem leefden op vaders brood.

Zestig jaar later: vaders naam
uit respect en als eerbetoon
in steen vereeuwigd voor
ondergrondse trouw.

De 24ste van wijnmaand:
dag waarop je ouders zich verbonden,
dag waarop ze werden bevrijd,
zegge en schrijve: zegen en zege.

(zonder titel)

Ik was geen held. Als een dief in de nacht
ging ik te werk, als een mol zocht ik mijn
weg. Een naam had ik noch een gezicht
en wat ik deed moest uitgewist. Ik was niet
meer dan een monddood mens die zijn hart
liet schreeuwen tegen een onmenselijke staat.

Ik was geen held, maar laat me in het open-
baar bestaan, me delen in de vrijheid van de
grond die mij zo onvervreemdbaar lief was.

Victor Vroomkoning schreef dit gedicht
ter herinnering aan hen die tijdens WO II
op Boxtels grondgebied in het verzet actief waren
onder wie zijn ouders, Wout en Til van de Laar.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon