Openingswoord Poëzieroute Ravenstein zaterdag 12 mei 2007

Poeziewandelroute-ravenstein-2007

Dames en heren,

Ik las dat heel vroeger vol ontzag: ‘belediging van een ambtenaar in functie’ en dat dat voor mijn katholieke jongensziel heel zondig moest zijn, doodzondig bijna en dat je dat behalve in de biechtstoel ook nog eens met een buitenkerkelijke penetentie moest bekopen. Het was een intrigerende term: ‘ambtenaar in functie’; bestond er ook een ‘ambtenaar buiten functie’ en wat was die dan, hoe zag die eruit? En mocht je die dan wél beledigen zonder binnen- en buitenkerkelijke oefeningen van berouw?

‘Wat deed je vader vroeger?’ is een nogal geregeld terugkerende vraag. De man van mijn moeder was voor de hele wereld bakker, voor mij was hij vader. Bakken deed hij natuurlijk niet voortdurend, bijvoorbeeld als hij in het hoge kerkkoor tussen de anderen stond te zingen, dan was hij de helderste tenor van Boxtel; als hij na dat zingen de kerk uit was en het nodig achtte, zijn stem nog eens te verheffen in een dorpscafé terwijl hij op het biljart danste, dan was hij de uitgelaten charmeur. En als hij daarna halfdronken thuiskwam, was hij het slachtoffer van moeders oorvijgen. Later, dieper in de nacht, werd hij haar engel, die misschien wel in zo’n nacht zijn zoete broodje in haar schoof om het te laten rijzen tot ik kwam.

LATIJN

Hoe het huis wekelijks meeleefde
als hij neerstreek, steeds hetzelfde
ritueel, zingend onderaan de trap
flarden Latijnse mis, dronken
tenor maar helder alsof hij alleen
beschonken het hoog akkoord kon
halen, klossend naar zijn hemel-
bed roeden uit hun klemmen wippend
een wonder dat hij elke keer weer
boven raakte waar de halve nacht
zijn vrouw onze moeder waakte
die hem kapittelend ontving
maar spoedig inbond als zijn Latijn
in een onvervalste smartlap over-
ging, ze mee ging neuriën met haar
gevallen engel en hij genas
aan haar borst. Dank ik mijn genese
aan zulk een lucide verbond?

In alle gevallen bleef mijn vader mijn vader. Zelfs toen hij uitgezongen, uitgedanst, uitgeleefd was, voor mij zo dood als mijn moeder een jaar daarvóór; en dat blijft hij zolang ik leef, zij het dat hij - misschien nog méér vader dan tijdens zijn leven - alleen in mijn gedachten, anekdotes en gedichten over hem zijn functie nog vervult. Bijvoorbeeld in dit gedicht:

VAKWERK

´Praat me niet van sneeuw en ijs´
sprak mijn meelbestoven vader
terwijl hij witbrood in de rijs-
kast schoof, ´daar komt maar dooi van´.

Maar toen hij ´s avonds in de maan
overgoten kerstetalage van zijn tuin
heenkeek over het marsepeinen
gazon, de borstplaten vijver,
de bruidssuikeren beelden op hun
sokkels van fondant knorde hij
voldaan: `Het kan niet anders
of de Schepper moet een bakker wezen´.

Toen ik nog les gaf, tussen vrouw en kinderen leefde, was ik op een doodgewone schooldag vader van altijddurende bijstand voor mijn 2 kinderen, voor mijn vrouw haar onaflatende man als hem dat uitkwam, voor mijn vrienden een verre buur, voor mijn buren een bierdrinkende ‘hé daar heb je ‘m weer’, voor mijn leerlingen hun veeleisende, soms goedgeluimde, ook wel eens barse docent. Toch was ik - op grond van mijn broodwinning, mooi woord van de zoon van een bakker - voor de buitenwacht, zeg maar de wereld, vooral docent, zelden vader, vriend, tuinman, voorlezer, minnaar, moppentapper, fantast, zaalvoetballer, dichter, pianospeler, plaatjesdraaier, praatjesmaker, of dromer, functies die je alles bijeen toch een uur of zes-zeven per etmaal uitoefende. En hoewel de mens een groot deel van zijn leven slapend op bed doorbrengt, zal toch niemand ‘slaper’ antwoorden als men hem naar zijn functie vraagt.
Nu vullen zich mijn dagen met fietsen, wandelen, liefkozen, lief kozen, reizen, veel dromen denken en soms dichten..

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak

Aldus de eerste 2 regels van Slauerhoffs gedicht Woninglooze.

Ik heb dit altijd een merkwaardig vers gevonden. Als dichter wonen in je eigen gedichten?

Weinig dichters bekommeren zich nog om hun maaksels, als die eenmaal gereed zijn. Ze kijken niet vaak terug naar hun huizen, rijden er wel eens langs, kijken nog wel eens naar hun gevels, naar binnen, soms willen ze er nog aan prutsen, hier en daar wat aan verfraaien. Ze bieden ze te koop aan in tijdschriften, in een door hen samengestelde catalogus, maar er in wonen, ho maar! Na oplevering trekken er voortdurend anderen kortstondig in hun schepping. Van hen vernemen ze, of die bevalt. Soms wordt een gedicht tot monument verklaard, komt het in een mooi gebonden boek te prijken tussen andere gelukte exemplaren.

De dichter is architect en aannemer tegelijk. Hij ontwerpt en bouwt weliswaar voor eigen rekening, naar eigen inzicht, voor zichzelf, maar met het oog op andere bewoners.
Zolang het gedicht niet af is, is het een pand in aanbouw. En wie wil er zoals Slauerhoff wonen in een huis dat verre van af is, lekt, kiert? Het huis moet dicht, weet de dichter. Maar er is vaak nauwelijks een bouwplan, een concept. Soms komt er een kamertje bij, moet er een stuk weggebroken. Ja, soms begint de stichter met de fundamenten, maar al te vaak is hij al op zolder aan het rommelen, zonder dat de trap klaar is. Soms is ie aan twee, drie huizen tegelijk bezig. Het ene komt in een mum van tijd klaar, een ander staat soms maanden in de steigers, veel huizen blijven half afgebouwd of worden niet eens begonnen hoewel de grond bouwrijp was en de tekeningen in orde leken. En maar al te vaak wordt het huis een ander dan dat je in gedachten had. Niet zelden heb je het gevoel dat het gedicht zichzelf schrijft, dat jij er eigenlijk niet toe doet. Of dat je het gedicht zó voor het opschrijven hebt nadat het je midden in de nacht wakker geroepen heeft, maar als je het op wil schrijven, is het uitgewist, verdwenen. Het huis was een droomhuis maar bleek een illusie.

Omdat de dichter eigenlijk nergens woont, wel op vodjes papier huizen schetst, is hij blijvend woningzoekende, woningloze, zou je denken. Gelukkig is hij zo af en toe maar dichter en woont hij in de werkelijkheid als dichterlijk levend mens met alledaagse bezigheden. Liever: een dichterlijk levend mens die op sommige momenten dat dichterlijke vertaalt tot een vers waar ook ter wereld, te land, ter zee of in de lucht ongeacht het uur. Maar tel je dat op, dan ben je per etmaal uiteindelijk slechts kort dichter; de rest van de tijd ben je met andere zaken bezig die minstens even belangrijk zo niet belangrijker zijn. Althans voor déze dichter die buiten zijn gedichten een gewoon, tamelijk gelukkig mens is soms, een minder gelukkig ook soms zoals veel mensen. Maar om al dat dichterlijke tot een beroep te verheffen, gaat me ver. Het gaat me niet om het dichterschap maar om dichterlijk leven. Om op een kinderlijke manier ontvankelijk te blijven voor wat je omringt, om een kinderlijke manier van kijken en beleven en verbeelden.

OMHELZEN

Het was een uitnodiging als zovele
geweest. Bij het binnenkomen overzag
ze de enorme woonkamer, het terras
dat afliep naar het gazon waarop
een honderdtal gasten in groepjes
bijeen was. Ze omhelsde de jubilaris
en zijn vrouw, hun kinderen, vrienden.
Ze voelde een aangename prikkeling
door zich heen gaan telkens wanneer
ze de armen om hen heen sloeg
ze hun wangen, hun mond beroerde.

En ze kreeg er behoefte aan dit te
bestendigen. Bij haar vroegtijdig
vertrek omhelsde ze behalve de
feesteling en zijn vrouw ieder die
er stond en zat en lag en ze kuste
dat het een lust was groot en klein
jong en oud, proefde allerlei variaties.
Opgetogen vertrok ze

om even later terug te keren en opnieuw
iedereen vol overgave te omhelzen.

Ik raad u aan, al is het alleen vandaag, de wereld om u heen weer eens te schouwen, u te verwonderen over de dingen die je al zolang vertrouwd zijn, door er bij stil te staan - stilte is het thema van de poëzieroute 2007 -, ze de aandacht te geven die ze verdienen, er weer van staan te kijken, letterlijk, hoe je verrast kunt worden door wat je al zo vaak gezien hebt, wat jou al zo vaak heeft verrast.

SNEEUW

Dat krijg je van sneeuw
dat een plotselinge sluier
je uitgeleefde tuin verduistert
met de helderheid van een leeg
wit blad papier, de verblindende
scherpte van een verliefdheid

dat je na de schittering
als de dooi inzet, je ogen
opnieuw in moet stellen
op het gras de vijver alles
wat is zoals het was

dat het gedicht dat boven
water komt vertrouwd meteen
verrassend anders is. Als lente
je geliefde: geruststellend
hetzelfde even nieuw.

Zo kun je lang genieten van wat al duizend maal genoten werd.

Tijdens mijn leraarschap heb ik mijn leerlingen die dichterlijke kijk proberen eigen te maken. Ik brak de schooldag met ze in tweeën door met ze het nabijgelegen Goffertpark in te sluipen om er het uitbotten van een dichterlijke natuur te bevorderen.

GOFFERTPARK

Je deed het met twee elftallen
leerlingen in de lente van de
jaren zestig, je speelde met ze
dichtertje in de hof van Nijmeegs
Eden op regelafstand van je school.

Je schiep dichters hoopte je, ze
galmden tegen de lege banken van
het openluchttheater dat de wereld
zou verstommen van hun verzen,
liepen over het water van de vijver.

Je wist nog niet dat de blinde
horizonten van een klas meer
beelden kweken dan een aards
paradijs dat gelukkig maar
te mooi voor woorden is.

Wanneer je na veertig jaren roeping
terugkeert in je waanlandschap pluk je
de oude dag in het eeuwig rosarium.
Niets beweegt er dan de ongerichte
zoete weemoed in wat over is.

Er zijn mensen die zich voortdurend schrijver, directeur, wethouder of weetikwat wanen, altijd als zodanig in functie schijnen, en voor het overige er weinig toe willen doen: een schrijver etc. van alles, daarbuiten niks, belediging voor een mens in functie. En omgekeerd, en daar geef ik de voorkeur aan, zoals ik altijd het leven boven de werkelijkheid van een boek, een gedicht gesteld heb: een mens van alles boven een dichter etc.van niks.
Een ambtenaar gaat met pensioen, dan is ie tot aan zijn overlijden: ambtenaar buiten functie, ambtenaar af, maar wat dan nog wel? Dichterlijk leven is aldoor als zodanig leven, dichterlijk leven ten einde toe. Een dichterlijk mens blijft onophoudelijk in functie.
Ik hoop dat u de dag ook zo door wilt komen, waarin u verbeelding toelaat, ruimte schept voor een verwonderend ogenblik, voor het kind in u, voor momenten van stille aandacht en verbeelding.
Laat ik afsluiten met een gedicht dat dat dichterlijk leven in beeld, in beelden brengt, verbeeldt:

MAGISCH REALISME

Je maakt wat mee in je jeugd:
kabouter op paddestoel
duimelot in notendop
fee met toverstaf
elfje op bank
paard op dak
spook in kast.
Daarna beeldenstorm.

Maar vanmorgen flits van hiervoor-
maals: onder de zon deinend op ven
prins en prinses in bladerbed

tot hij haar kust
en zij weer lelie wordt
hij haar kikker.

Ik dank u voor uw aandacht.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon