De Brakke Hond

BrakkeHond

106, zomer 2010

[1] ROEP

Ik ben de warme dichter,
mij mag men in een krant
niet doen verdwijnen.
Schapen grazen aan mijn raam,
hoor ze blaten in hun taal,
dat rijmt maar laat mij koud,
ik noem de dingen bij hun naam.
Verstaan doe ik water, steen
noch aarde, planeten, vogels.
Engelenkoren vernam ik nimmer.
Mij verwarmt de mens zijn alle-
daagse hart en handen. Niet zijn
dromen, goden poken mijn zinnen
op, niet de zon, sterren, de maan.

[2] Laat mij open zijn,
wat zeggen wil:
het woord dat vloog
verstaanbaar tussen
mijn lippen houden.
Ik ben de menselijke stem
gelijk aan menigte stemmen,
ik ben die ik moet
tussen schede en graf
en ik zal spreken
zoals het woord me uitkomt,
dat wil zeggen:
van hier en nu opnames
van de liefde die mens heet.
Schoonheid gaat nog immer
rond in een meisje
haar liefdesschijnbewegingen
die zwanen niet halen,
haar ene stem schoner
dan die van menigte vogels.
De mens strikt mij
en treft mij met het besef
een vlezige diamant te zijn
glanzender dan sterren in
hun zwerken kleed.
Ik heb daarom de taal in haar
menselijkheid opgezocht,
hoorde dat zij daarvan nog steeds
meer bezat dan de platitudes van de
straat, de clichés der media,
van men het men.

[3] Wij hebben gezichten,
wij hebben het licht ontstoken
waar duisternis verbleef,
wij zijn het eeuwig licht,
wij hebben eeuwige ogen.
Ik ben vuur mateloos
vuur, verzengend vuur, ik
ben een en al huid en haar en
bloed en vlees, spring
levend aardbevelijk.
Wij hebben gezichten,
open, bloot zijn wij
en licht zijn wij, lief en licht,
ik ben geen lemen vaas noch
klaterend orakel, ik ben mijn broeder-
taal hoedende dichter.
Ik zie wat dood is, daarom
dood kan ik nog altijd,
ik verkies het leven,
het kleine is genoeg
voor een extase, de intimiteit
van een hand in een bed.

[4] Nu met twee volle ogen schoonheid
en een tong mededogen
kan ik brandend van broederschap
regels inspreken, eenvoudig
wel te verstaan het hart in.
De mens een amfoor liefde,
hij draagt vuur en vlammen,
laat mij daarover stamelen
in de alfabetische naam.
Het is een mahan,
het is een vrouhouw,
het zijn kihinderen.
Ik ben bij hen,
oplichtende sterren
aan de menselijke grond.
Zij gaan waar ik ga,
wat ik taal spreken zij
uit, ik ben de dichter
van hun ach en ah en oh,
de lichamelijke taal in
lichtende letters van
het leven zelf.
De woorden wegen van letter
naar letter, wees gerust: niemand
ontkomt hun striktheid.
Laat mij nog schikken,
laat mij nog, laat ze niet
verdwijnen in een krant.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon