Klein Museum

museum

Agathon, Houten 1987

Een selectie:

Toedracht

De dolverliefde man
die aan de slootkant
om een meisje draait

is niemand minder dan
mijn vader die vandaag
mijn leven in haar maakt.

Moeder die op haar klompen
aanvoelt waar het op uitloopt

dobbert dichter naar de sloot.
Haar hoofd kan daar vol
rimpels stromen. Haar spiegel-

beeld gaat door de knieën.
Kijk haar onderlijfje
boven komen drijven.

Familiefoto

Op de motor waait het.

De fotograaf die met luchtaanjagers
vader, die voorop zit, vaart dacht
in te blazen, verkeek zich op het vlinder-
lichte van moeders blouse die open fladdert.

Wat mij aan borst te wachten staat
is mooi te zien.

Half ontwikkeld val ik
achter vaders rug niet op.

Ooijpolder

Wij reden door de polder. Ver weg
hoorde ik geruchten gaan.

Wij kwamen aan een afgezet stuk
land waar jonge dieren weidden.
Moeder hielp me van de fiets
want zwaar van dromen was ik
aan haar lijf geworden.
Zij opende het hek en liet mij
ruiken aan het gras.

Terwijl ik naar haar omzag
stak zij beide handen in haar jas.

Onderweg

Wij waren Bergen al voorbij.
Het linnen dak was opgestroopt.
Ik lag languit, mijn hoofd
in moeders plooien.

Vader reed, geloof ik,
op de sterren. Na een bocht
of wat was hij verdwaald.

De maan liet doorschemeren
dat we midden in
de duinen stonden.

Zij meenden dat ik sliep.
Hoor je de zee?, vroeg hij.
Zij schoof mij uit haar schoot.

Zij gingen dieper
in de nacht dan ik kon zien.
Heb ik ooit meer droom bedacht
voor wat mij werd verzwegen?

Hof

De bomen hingen op hun volst.
Ik had blind staan tellen, riep
dat ik zou komen om te zien.

Door het grasland wadend zag ik
bij de appels licht bewegen, niet
vermoedend dat ik vaders armen

zou ontmoeten die als slangen om
de benen van mijn moeder gleden.
Ik verroerde niet, hield alle adem in.

Zandlichaam

Ik deed mijn best
om vader te vermaken,
begroef hem levend
waar familie bij lag.

Ik schiep een lijk van hem,
hoogde borst en buik
tot baar. Water naderde,
ik maakte dat hij weg kwam.

Golven rolden uit,
een krans van wier werd
bij zijn terp gelegd.

Een mummie van een man
stond uit de dode op,
begon door zee te waden.

Scheiding

Ik moest van huis om sprookjes
te verleren. Hoe kon ik nu weer
zweren dat buiten poedersuiker
was gestrooid?

Ik liep te dolen aan moeders
zomen. Zij deed mij van de
hand waar mijn koffer haar
te lastig viel.

Die verschrikkelijke sneeuwman
van mijn vader zou wel zeer staan
vloeken in zijn bloembedauwde
baard. Ik zag de knechten bij de
oven verstijven van het ijs dat uit
zijn ogen pegelde.

Op het perron waren wij alleen
nog woordelozer dan voorheen.
Sneeuw hing haar een sluier om.

De trein, reusachtig wittebrood,
rees uit de verte op.

Zij kwam mij nooit zo na
als toen ik afstand van haar nam.
Ik werd haar verre bruidegom.

Beheer

Hoe ik met het houden
van ouders begon,
toen ik mij kwijt was
in een kind.

Tweemaal ouder werden zij
mijn oudste kinderen.

Zwakker wordend sterkten zij
in mij aan totdat zij ademden
als in hun eerste albums.

Hoe ik hun levens afstof,
restaureer, hun klein museum
conserveer.

Hoe ik verouder tot grijze wees
van onvergankelijke ouders.

Hoe het nooit meer ophoudt
toen te worden.

Proef

Ik zet mijn zoon op sterk water.

Wij staan tegenover het kasteel.
De ring van ijs slaat
duizend bruggen tegelijk.

Van de kant af moet hij
weer staan en lopen leren.
Hoor hem van angst eens
fantaseren dat het barst.

Hij houdt zich aan
mijn panden overeind.
Zijn tong gaat stilaan liggen.

Wij naderen het slot.

De rug tegen de muur herkrijgt
Brugmans zijn praatjes.

Hij glijdt branie van mij weg.

Overleg

Mijn zoon spant bogen
samen met mijn vader.
Zij lijken sprekend
op grote mensen die gemeen-
zaam aan het werk terloops
wijsheden verkondigen.

Terwijl meccano-onderdelen
tot een brug worden gesmeed,
legt vader uit dat sommigen
na honderd jaar de over-
kant bereiken.

Zijn wij sommig?,
leidt het kind hem af.
Vader geeft geen antwoord
maar een schroef terug
die niet past.

De brug vlot naar het einde
als de onvermijdelijke god
weer boven water komt.
Of die dan sommig is?
Sommiger dan wij,
probeert vader.

Zeven

Hij is zeven,
zoekt mijn hand al minder.

Was ik god, ik hield hem
eeuwig jong en klein om
naar mij op te zien.

Zijn ‘Vader mag ik over-
varen?’ hapert al
van ongeloof.

Erfgoed

Hoe ik mijn zoon besmet
met angsten die mijn vader
in mij uit deed breken.

Kijk uit!, smeek ik
terwijl ik plaatsvervangend
huiver voor de Duitse herder
die hem likt.

Hoe hij ze verder uit zal
zaaien, zelfde verlammingen,
onverhoedse stollingen
van eender bloed.

Hoe toekomst onherroepelijk
verleden aanmaakt, hoe steeds
meer vroeger in ons woekert.

Moeder

Uit wie mij spreken leerde
murmelt kruiswoordpuzzeltaal,
borrelt praat van niets
dan allerlaatste kwalen.

Haar lijf dat naar de aarde groeit
staat onophoudelijk in bloei
van zomerjurken. Opgezette ogen
dwalen door haar bril. Haar kin
zinkt in haar parelhoenderkeel.

Grijs, met goud omhangen, groeten
ons de Juliana’s van het huis.
Waar wij door de gangen schuifelen
sterft het van de kruisen.

Steeds dieper moet ik buigen
wil ik haar nog kussen.

Eerste bezoek

Hij kan niet meer alleen
de gang door, zegt de zuster
die hem brengt,
ik neem hem over.

Lichter dan een vogel
voelt hij zwaarder aan
dan in zijn beste jaren.
In zijn stem echoot het kind.

Ik zet hem in een leunstoel
tussen ramen in
zodat hij meer
van mij kan zien.

Zijn das hangt uit
zijn nek gedraaid,
vest en broek staan
uit de knoop.

Zie hem aan.
Hij heeft steeds minder
eeuwig leven. Nog even
en ik kan hem niet vergeten.

Laatste bezoek

Tussen vreemden ligt hij
onder marmeren Latijn.
In dode taal spreekt hij
niet aan.

Het paars van de azalea’s
herinnert aan
zijn laatste lippen.

Glas steekt uit de lijst
waarin zijn foto breekt.
Zijn hoofd verliest hij
aan het weer.

‘Dag vader’ zeg ik
tegen niemand meer.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon