Inleidend woord bij 'Sleet'

sleet

Inleidend woord tijdens de presentatie van Sleet van Rob van Uden, boekhandel Van Kemenade, Breda, 22 oktober 2010

Dames en heren,

Het is me niet vaak gebeurd dat ik tijdens de lectuur van een dichtbundel dacht verdwaald te zijn in een roman, in een thriller, beter nog: in een toneelstuk, ook al omdat de inhoud van de bundel als in een klassiek drama over 5 delen is uitgesmeerd. Alle verzen hangen aan elkaar, zijn met elkaar verbonden maar niet op een logische manier hoewel de chronologie van voor tot achter in stand gehouden is. De bundel zet in met een soort proloog, getiteld Het begin, Donderdag, 31 december 20.00 uur en sluit af met wat je een epiloog zou kunnen noemen, getiteld Twaalf. Het gaat dus om de vier laatste uren van een jaar, een onbepaald jaar want het jaartal wordt verzwegen. In die vier uren ontvouwt zich van Alpha tot Omega, - zo luiden de titels van respectievelijk het openings- en slotgedicht- , een caleidoscoop van gebeurtenissen die op de een of andere manier naar elkaar verwijzen, die soms realistisch worden beschreven, soms surrealistisch.
Het gaat in eerste instantie om een man, een vrouw, een kind. Om Larie, zo heet zij, om de ik, en om een naamloos kind. Maar evengoed gaat het om de teloorgang van de wereldse moraal, handelt het over het tekortschieten van de poëzie en is de inhoud zo doordrongen van allerlei aspecten dat je gemakkelijk weer tot een andere interpretatie komt of geheel de weg kwijt raakt. Wat ook weer opzet kan zijn. De ik in de bundel zegt het zelf. Ik citeer: “Ik ben de draad van je verhaal kwijt en jij bent mijn draad kwijt”. Vind het dan niet vreemd, dat je dat als lezer ook overkomt. Ik heb nadat ik de bundel een paar maal gelezen heb, de vaste overtuiging dat de schrijver weliswaar serieus te nemen valt, maar dat hij je tegelijkertijd op het verkeerde been zet. Hij zegt het zelf zo: “Mijn gedicht, een symfonie, blijkt een farce, een sof, een cocktail vol kreten en beelden, vergeeld voor het is uitgegeven.”
Rode draad in het verhaal is het Levi-spijkerjack van de ik. Ik citeer uit het gedicht Alpha: “In het begin hangt een jack/ aan een spijker in de muur”. Ik lees dan onmiddellijk: “In den beginne”. Dat jack is de ik kwijt, heeft ie laten hangen aan een spijker die in een café in hout geslagen is. In de context van de bundel komt dat Levi-spijkerjack [ spreek uit: Lévi-spijkerjack] me voor als het hemd van de jood Christus waarom de soldaten onder het kruis waaraan hij geslagen is, dobbelen. Dobbelen? In de bundel wordt regelmatig letterlijk of figuurlijk verwezen naar het beursbedrijf, naar mensen die in zaken doen, naar politici ook. Enkele voorbeelden: “Ik zie de sleet, de koers van mijn emoties dalen”, en: “Scharrelend langs de aandelen /van de Wall Street Shuffle/ begint hij haar te strelen.” En even later: “Mijn indexcijfer duikt omlaag”. Er is sprake van de gevolgen van de grote depressie, van recessies, liquide middelen, van algemene beschouwingen. Al in het eerste gedicht wordt gewag gemaakt van een faillissement, dat we door de bundel heen kunnen verbinden met het faillissement, de neergang van het christelijk geloof.
Er is eerst en vooral een liefdesgeschiedenis. De ik wil iets met Larie, zijn vriendin (tussen haakjes; zijn beste vriend heet Arie). Larie staat in het Nederlands voor: onzin. Ja, misschien is alles wel onzin in dit boek, als onzin bedoeld, maar dan wel met hoofdletter O. Niet voor niets, denk ik, gaat aan de bundel een motto van Willem Jan Otten vooraf, ik citeer: “Ik zag dat hij iets vreesde, / moeilijk te bepalen wat, ach, larie,/ zei hij, en ik floepte er toen uit: / u vreest de eerste januari.” Ik wijs er hier op, dat Otten een bekeerling is, die evenals zijn echtgenote Vonne van der Meer als volwassene tot de katholieke kerk is toegetreden.

De ik wil Larie hebben: ”Ik moet, ik zal haar winnen/ op de valreep van het oude jaar,/ want krijgt ze vaart/ en kijkt ze om,/ dan verandert ze in een zoutpilaar”. Dit is een van de vele verwijzingen naar de Bijbel, soms gezocht (“want ik wil naar het land/ van de kribbige liefde/ naar de wieg van Larie” ) of op het randje (“Zij loopt naar de deur,/ brengt haar zoenoffer”en “Door mijn schuld,/ door mijn schuld,/ door mijn onschuld misleid.” en: “tweemaal, driemaal/ struikel, val ik / op de grond”)
Maar je ontkomt er niet aan. Je ontkomt sowieso niet aan de inhoud van dit boek, en dat is de verdienste van Van Uden. Hij sleept je in zijn hoofdfiguur, de ik, door de laatste vier uren van het oude jaar mee, overdenkend wat er mis ging met de wereld en met hemzelf. Ik citeer: ”Zij, een vrouw, en ik, een man,/ we hebben ons verscholen./Want sinds het kind ons is ontstolen,/ krijgen we inzicht in het lief/ en leed van het paradijs.” En: “Ik inhaleer haar klachten, zucht en blaas het stof/ van duizend ergernissen door de lucht.”
Wat is er met het kind? In het gedicht “Het eerste octaaf” staat het: “Vandaag is het de zevende dag / dat het kind is gestorven.” Als je op de kalender terugrekent kom je uit op Kerstmis. Hier draait de ik de zaken helemaal om: in plaats van dat het kind op Kerstmis geboren is, is het daar volgens hem gestorven. Doodgeboren kind dus. Moeten we het lezen als: dat het christendom gestorven is, niemand nog wat zegt? Het gedicht eindigt met: “Als ik nou mijn kind begraaf,/ deze avond, deze nacht/ voor het eind van het octaaf.” Wat is de zin van die zin? Ik kom hierop terug.
Als het kind trekken van Jesus heeft, is dan de ik niet zo’n beetje God? Hij schrijft: “ik, de egoïstische, autistische, onbewogen albeweger”. In filosofische kringen staan die twee laatste beelden voor wat wij God noemen. De schrijver als God? Zou kunnen.
Goed, de ik wil Larie, zelfs een kind van haar: “Liefste,/ ik beloof je/ mijn eerste kind,”. Op het einde van dit inleidinkje, zal ik proberen uit te leggen, wat dit ook zou kunnen betekenen.
De ik hallucineert, dronken of niet; de werkelijkheid krijgt surrealistische trekken, Larie wordt zo klein dat ze in een fles kan. De ik en zijn vrienden komen terecht in een herenhuis waar een groot nieuwjaarsfeest aan de gang is. Het hangt er vol met doeken van Nolde, Ensor en De Koning. Daar doemt ene Maria op, Duitse schone. [ Ik licht u even bij: op de octaafdag van Kerstmis, dus 1 januari, vestigt de Kerk sinds het begin van de zevende eeuw in de Romeinse liturgie de aandacht op de Maagd Maria als Moeder van God.].
Er ontwikkelt zich een orgie van geluid en zinnen. De bijbel is weer achtergrond: “Um das goldene Kalb” heet een vers. Zelfs Salomé verschijnt op een altaar van wellust met op een schaal het hoofd van een jongeling. Een daar aanwezige advocaat voert Larie lariekoek (sic!), maakt van haar Vrouwe Justitia , geeft haar dertig zilverlingen en neemt haar voor het zingen. Slapstick, Kitsch en Heilige Ernst buitelen hier over elkaar heen. Knap, als je als lezer alle verwijzingen en dubbele bodems bij kunt houden. We bevinden ons in een dolgedraaide wereld waarin alles kan, alles mag; de orgie van het oudejaarsfeest als metafoor voor de verdorven wereld waarin geld en sex het voor het zeggen hebben in plaats van het pasgeboren kerstkind. God noch gebod, het staat letterlijk in een van de gedichten, wordt nageleefd. In het vers “Zie de mens” (Ecce Homo dus) worden twee stenen tafels opgevoerd, juicht men als Black Jack (let op dat jack) in zijn hempie staat, wint vriend Arie het púrperen overhemd. Beelden uit het Oude en Nieuwe Testament worden gebruikt om ons in te peperen dat de Tien Geboden vervangen zijn door die van de wereldse wetten en de beursberichten.
In het vierde deel van de bundel, van het drama, met gedichten die in titels als “Rozenkrans met doornen” en “Apocalyps”, ook weer zwaar tegen de Bijbel leunen, verschijnt ene Peter Fechter , die -ik citeer- “nooit voorbij de Berlijnse muur gekomen [is]”. Deze Fechter werd tijdens zijn vlucht naar het Westen doodgeschoten. Het heeft er alle schijn van, dat de ik zich met deze Fechter vereenzelvigt, slachtoffer van wereldlijke machten. De Maria die het getal van het beest op haar voorhoofd heeft en op de rug van haar jack “Ich scheisse auf ihre Moral”, zegt: ”Ich bin der Hass”. Het kan de lezer niet ontgaan dat naarmate de bundel vordert, het decor Duitser wordt, de hallucinerende, surrealistische werkelijkheid tegen een Berlijns decor gesitueerd is, alsof dat het Sodom en Gomorra van onze maatschappij is.

Het einde nadert. Het vijfde en laatste bedrijf heet: “Voorbij goed en kwaad” dat natuurlijk naar “Jenseits von Gut und Böse” van Nietzsche verwijst, de filosoof die God dood verklaarde. De ik heeft uitgesproken Messiaanse trekken: “Dit is mijn liefde,/ dit is mijn bloed.” Hierna een scene die aan Golgotha doet denken: “En het gebeurt/ dat bliksemschichten de verlichting /doen verbleken,/dat donder de muziek overstemt.” en “De Geest is uit de fles/ en visioenen van vrijheid /dalen over de massa neer”. Er is nog sprake van het teken aan de wand, een slang die zich kronkelt, het laatste avondmaal, relikwieën van een pas verloren paradijs en de apocalyptische ruiters. Het is veel, heel veel. “Het laatste quintet” heet een van de laatste gedichten. Daarin wordt het kapitalisme ontmaskerd: “De beurs is leeg en sleurt alle waan en zondegeld uiteen.”. Gaat deze bundel misschien ook nog over de ellendige gevolgen van de financiële crisis van de laatste jaren? Zeer waarschijnlijk.

Aan het einde van de bundel belanden we weer terug in de realiteit al doet de titel ”Drie-eenheid” dat niet vermoeden. Voor de ik is die Drie-eenheid gebakken lucht. Ik val hem bij: is de hele bundel niet veel meer dan gebakken lucht? Is het allemaal niet veel meer dan Heilige Onzin? Maar als Heilige Onzin bedóeld! Larie haalt me de woorden uit de mond: “Dit maak je maar één keer mee.”
Nu krijgen we te horen, dat het kind een naam heeft, namelijk ’t Woord. Met hoofdletter. Wat vermoord werd, is Het Woord. Van God? Ja, dat zal zeker bedoeld zijn. Dat Woord kwam als Jezus ter wereld, werd aan het Kruis genageld. In het voorlaatste gedicht staat het expliciet: “Aan het eind/ hangt een mens,/ een mensenzoon,/ verworpen en ontslagen…/ dood-/gewoon.” De dichter verzucht: ”Mijn God,/ waar is het paradijs,/ dat jij mij hebt beloofd?”

Maar ook het woord van de Dichter wordt in deze bundel vermoord. Door de dichter zelf. Ik kom terug op de zin: “Als ik mijn kind begraaf,/ deze avond, deze nacht/ voor het eind van het octaaf.” die nu geïnterpreteerd kan worden als: als ik mijn woord, mijn poëzie, mijn bundel begraaf, als ik ophoud met dichten. Toch is Van Udens bundel uitgekomen, het kind dat de ik Larie heeft beloofd. Het Woord van God is dan wel verminkt, vermoord, maar het woord van de dichter, déze dichter, is nodig om dat ons duidelijk te maken. Ik interpreteer Larie als de personificatie, de verpersoonlijking van de Onzin in deze wereld, letterlijk de on-zin waartegen de dichter zich met zijn zin-rijke taal teweer stelt. Hij wil taal die er toedoet.

Ik rond af: mocht de lezer er tijdens zijn lectuur te weinig van begrepen hebben, dan kan hij zijn toevlucht zoeken tot de tekst die helemaal achterin het boek als een soort Verantwoording de moraal, de achtergrond van de inhoud van deze bundel verklaart. Die blijkt gebaseerd op een frase uit de autobiografie van Charly Chaplin. Ik raad iedereen aan, die eerst te lezen, dat scheelt een hoop inlegkunde.

Het lijkt er veel op, dat de bundel vooral een illustratie is bij het verhaal erachter, dat van Chaplin. En als je dat niet kent, ontgaat je veel. Het zou me niet verwonderen als de hele bundel als Serieuze Grap, als Heilige Onzin bedoeld is om ons een spiegel van onze onzinnige, dolgedraaide wereld voor te houden zoals Chaplin deed.

De bundel lijkt op een manifest, op een stellingname, waarin allerlei soorten teksten de boodschap verkondigen, niet zelden in rap-achtige, lied-achtige vorm, die ik gemakshalve toch maar gedichten noem, waarvan sommige wat weg hebben van die van Alex Rouka, de melancholieke, soms misantropische Brabantse balladezanger: “Schrik ik me rot,/ als op de hoek van de straat/door de kinderen van de rekening/ aandachtig een gedicht / over de haat is geschreven./ De nachtmiss, de wees en de vreemdeling,/ ze zoeken in de nacht/ en komen/op dit late uur/naar deze kring van licht. / Ze houden de wacht/ bij het laaiend vuur /van weggeworpen bomen.”

En het zou mij niet verbazen, als de dichter die vanavond onze bijzondere belangstelling heeft, de poëzie van Paul van Ostayen een warm hart toedraagt, want in woordkeus, ritme en thematiek doet Sleet me denken aan Van Ostayens oeuvre. Genoeg nu, genoeg.

Als het u duizelt van wat ik gezegd heb, kan ik me beroepen op de allerlaatste zinnen van het commentaar achterin het boek. Ik citeer: “Ik dacht dat het een kritiek was op de houding van de wereld tegenover het christendom. Bij het vertellen van het verhaal ben ik misschien niet duidelijk genoeg geweest”.

Ik dank u voor uw aandacht.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon