Brabant Cultureel 2003

Brabant Cultureel, Anna van der Burgt, jrg. 52, nummer 3, maart 2003.

Victor Vroomkoning: ‘Dichters liegen dat het barst en zo hoort het natuurlijk’

Dichter Victor Vroomkoning (64) schrijft heel toegankelijk. In zijn bundels, die sinds 1983 met tussenpozen van een jaar of drie verschijnen, herkennen lezers veel dingen uit hun eigen leven. Zijn gedicht Vuilniszakken is zo’n ontroerend herkenningspunt. Het was onder meer te lezen in de metro’s van Rotterdam en Dublin en behoort inmiddels tot de canon van de Nederlandstalige poëzie. Hij beschrijft erin hoe vuilniszakken aan de stoep staan te wachten om te worden opgehaald en hoe hun gestalten hem doen denken aan zijn oude ouders wachtend op de bus. Inmiddels zijn de ouders van de dichter er niet meer. Ze leven voort in veel van zijn mooiste gedichten.
Victor Vroomkoning groeide als Walter van de Laar op in Boxtel. Zijn vader was brood- en banketbakker. In het gedicht Vakwerk kijkt de meelbestoven vader in een maanovergoten nacht naar de besneeuwde kerstetalage van zijn tuin met het poedersuikeren gazon en de borst-platen vijver. Hij knort: ‘het kan niet anders of de Schep-per moet een bakker wezen’. Moeder Mathilde kwam tijdens de Eerste Wereldoorlog als vluchteling uit Ant-werpen naar Boxtel. Vroomkonings nieuwste bundel, Bij Verstek, bevat een cyclus van veertien gedichten, vooraf-gegaan door een proloog, waarin zij hem toespreekt.
‘Ik heb geprobeerd om in die cyclus mijn moeder te laten zeggen dat ik moet ophouden met aan haar te denken, over haar te schrijven. Dat dat geen zin heeft en mij afhoudt van het dagelijks leven. Ze is nu ruim vijf jaar dood. Ik wilde haar een eerbewijs brengen. Ik was in mijn kop met mijn ouders bezig in plaats van met mijn handen en heb dat mijzelf kwalijk genomen. Mijn tweelingzus, die in Best woont, heeft mijn ouders verzorgd, maar ik zorg voor ze na hun dood. Het is een ongelooflijk smalle smoes: ik kan geen verpleger zijn, ik kan niet tegen pijnlijke dingen. Mijn vader en moeder hebben niet vreselijk geleden, ze zijn uitgedoofd als het ware. Ik ben er te weinig geweest, heb ze geen bijstand verleend.’

Vloedgolf van gedichten
‘Het enige wat ik heb kunnen doen, is over ze schrijven. En nu wilde ik mijn moeder tegen me laten zeggen: houd daar eens mee op. In veertien dagen heb ik veertien ge-dichten geschreven. Het was een vloedgolf en ze waren ook ineens af. Dit werk is het beste wat ik ooit heb geschreven, vinden veel mensen. Het is gebeurd onder invloed van Lucebert. Hij heeft waarschijnlijk een ont-moeting gehad met een hemelbode, ik weet niet hoe je het anders moet noemen. Hij heeft iets gehad in zijn leven, iets bijzonders, waardoor hij totaal on-Nederlandse, deels onverstaanbare poëzie is gaan schrijven.
Onbegrijpelijke poëzie, in een taal die de onze niet is, een taal die alles overstijgt. Mijn moeder laat ik dingen tot mij zeggen in bewoordingen die te maken hebben met de dingen die ik bij Lucebert heb gelezen, maar veel gewoner, in gewone mensentaal. Dat het met Lucebert te maken heeft, merk je alleen aan het gebruik van het woord luchtmens voor mijn moeder. Ik laat haar ontkennen dat er iets na de dood zou zijn wat, denk ik, juist in tegenspraak is met datgene wat Lucebert oproept.´
Vroomkoning woont in de Nijmeegse wijk Dukenburg in een huis met aan de muren veel kunst, ook van Lucebert. Misschien dat hij nog wel eens naar Tilburg zal verhuizen, mijmert de dichter. Tilburg is voor hem ‘de enige stad in Brabant’. Samen met Jasper Mikkers heeft hij voor de Brabantse televisie al eens gezegd dat het Brabantse eigenlijk niet geschikt is voor het schrijven van literatuur. ‘We zijn te extravert. Beeldend kunstenaars, daar stikt het van in Brabant, er is geen provincie die er zoveel heeft. Maar literatuur eist een ander soort discipline: naar binnen toe, afzondering. En je afzonderen in Brabant dat is verdomme… Jammer dat de grote schrijvers weg zijn uit Brabant. Hebben ze eenmaal gepubliceerd, dan zijn ze foetsie! uitzonderingen daargelaten. Ook de grote Limburgse schrijvers, als ze er al zijn, hebben de provincie verlaten. Dat heeft met de mentaliteit te maken. Limburgers zijn liedjeszangers, carnavalsliederenmakers, spelers in fanfares en harmonieën die erop uit trekken.
Maar een schrijver moet naar binnen. En daar komt nog iets bij: woon je niet in Amsterdam, dan hoor je er niet bij, is een veel gehoorde opvatting.’

Wereldkampioen spijbelen
De jonge Walter ging in Eindhoven naar het Sint-Joriscollege waar Gerard Knuvelder directeur was. Vroomkoning: ‘Geen aardig mens. Je zag hem nooit en als je hem zag was het in negatieve zin, want dan moest je op het matje. Ik werd vaak op het matje geroepen omdat ik veel spijbelde, ik was wereldkampioen spijbelen. Ik ging wel vanuit Boxtel naar Eindhoven maar heel vaak niet naar school. Reisde doodleuk een halve dag van Boxtel naar Eindhoven en retour of zat in het Rembrandttheater naar een film te kijken. Ik had een hekel aan school. Later ben ik leraar geworden, dat komt wel vaker voor. Ik schreef als zeventienjarige scheldgedichten op de docenten en op Knuvelder en was als de dood dat die gevonden werden onder mijn naam. Dus ben ik een pseudoniem gaan bedenken. Achter mij zat een jongen die Frans Vroomen heette, daar nam ik een stukje van: Vroom. De broer van mijn beste vriend in Boxtel heette Victor, dat vond ik een aardige jongen. Ik zocht op wat in het Middelnederlands ‘vroom’ betekent. Onder andere: ´dapper´. Daar heb ik iets bij gezocht wat dapperheid uitstraalt: koning. Ik schreef gedichten voor de schoolkrant, deed mee aan het schoolcabaret en buitenschoolse activiteiten. Ik was sportief maar was van geen enkele club lid. Mijn vrije tijd ging op in dromen.’

De toekomstige dichter begon tijdens zijn militaire diensttijd met een studie Nederlands aan de Leergangen in Tilburg. Later werkte hij in een boekhandel in Boxtel en bij de Amsterdamse uitgeverij Contact, ging les geven aan de M.D.S. in Nijmegen, deed daar zijn doctoraal examen Nederlands en werd docent aan de Gelderse Leergangen in Arnhem, de lerarenopleiding waar hij zelf zijn M.O.B-akte had behaald. Zijn eerste bundel, De einders tegemoet (1983), kreeg een goede pers en was in één dag weg. Hij kreeg voor gedichten daaruit de Pablo Neruda-prijs .’
Vroomkoning is op veel terreinen tegelijk bezig, dat is al zijn hele leven zo en dat geeft hem vaak een versnipperd gevoel. ‘Ik zal niet zeggen dat ik fragmentarisch leef maar ik heb heel veel dingen naast elkaar. Ik heb me nergens echt op geconcentreerd. Ik denk dat ik dat niet kan.’ Hij heeft twee gebroken relaties achter de rug, is vader van ‘twee heerlijke kinderen’ en heeft veel vriendschappen. ‘Twee of drie is te weinig, dat is weer te eng voor me, ik denk dat ik me niet diep genoeg kan binden. Dat neem ik mezelf wel eens kwalijk. Toen ik zelf vond dat ik mijn kennis van het vak Nederlands niet meer kwijt kon, wilde ik het onderwijs uit. Ik kon met wachtgeld. De hele dag dichten gaat niet en dus ben ik dat gaan studeren wat ik altijd al wilde: filosofie. Ik heb de studie in drie jaar afgerond, daarin kan ik me kennelijk wel weer concentreren.’
Hij reikt al jaren de SNS-literatuurprijs uit. In een hoek van de kamer staat een doos met 234 inzendingen die nog moeten worden gelezen. ‘Ik vind het plezierig mensen te stimuleren.’

De inspiratie van water
Het dichten gebeurt tussen de bedrijven door. Tijdens het afwassen? ‘Waarom niet? Als je met je handen in het water zit, komt er van alles los. Absoluut, water is een enorme inspiratie. Het bad ook ja, mensen gaan zingen onder de douche…Ik breng de zomervakantie altijd, en dat is wel merkwaardig, op dezelfde plek door aan de Atlantische kust bij Bordeaux. In een caravan, want een huisje is te vast.’ Daar in Bordeaux, in een telefooncel pal aan het strand, vond hij de stof voor het prachtig gelaagde gedicht Vloedlijn. Het gaat over de telefoongesprekken die hij met zijn moeder voerde over zijn toen zieke vader. ‘Ik voed de navelstreng van duizend kilometer met munten van een franc’, staat erin. En: ‘ Ik hoor hem sterven in haar stem/ tweemaal per week spoelt moeder aan/ ebt vader weg’.

Zijn bundels hebben titels als Oud zeer; De einders tegemoet; De laatste dingen; Klein Museum; Echo van een echo, allemaal verwijzend naar het verleden, het afscheid. Een buitenbeentje is de bundel Lippendienst van Stella Napels, uitgegeven bij de Arbeiderspers, waarvoor hij in de huid van een vrouw kroop. Dat was het gevolg van een opwelling in 1994: hij wilde een erotische bundel schrijven uit de optiek van een vrouw waarvoor hij de naam van zijn moeder, Mathilde Lippens, leende. De gedichten verschenen in de Revisor en kregen een juichende pers en met behulp van haar paspoort (ze was inmiddels ouder dan 90 en kon die gedichten nooit hebben geschreven) oogstte hij er een tweejaarlijkse Belgische prijs mee. Hij bood ze vervolgens aan de Arbeiderspers aan waar men de bundel in 1997 gretig uitgaf, zij het onder een andere naam omdat hij zijn moeder er niet meer bij wilde betrekken dan noodzakelijk was. Als auteursportret gaf hij de foto van de Zwitserse vriendin van een bevriende fotograaf. Na twijfel van Gerrit Komrij in de NRC (‘als dit een vrouw geschreven heeft, ben ik twintig´) en ontmaskering door Vrij Nederland ontlokte de bundel vooral journalistieke respons, die hem niet altijd welgevallig was. Had dan eerder bekend, denk je naar dit verhaal luisterend. Maar de dichter kon halverwege de affaire niet meer terug. Inmiddels is de bundel niet meer te koop en ‘een hebbeding’ geworden. Bij de Arbeiderspers zijn later zijn bundels IJsbeerbestaan en Bij Verstek uitgegeven onder zijn ´eigen´ pseudoniem.

Klein Museum
De bundel Klein Museum gaat over zijn ouders. ‘Daarin heb ik mijn vader en moeder als het ware opgebaard. Compositorisch is dit mijn mooiste bundel. Het begint bij mijn geboorte en eindigt bij de dood van mijn vader. Terwijl hij toen nog niet dood was.Vader zei: doe maar wat je moet doen. Mijn moeder vond het raar. Bij de presentatie zei Herman de Coninck: Vreemd, dat je je vader laat sterven in de bundel en dat hij hier zit bij de uitreiking. Zo heb ik altijd gedaan; dichters liegen dat het barst. En zo hoort het natuurlijk. Wat in de literatuur kan, hoeft niet te stroken met de werkelijkheid.’
Toen hij klaar was met de ´moedercylus´ uit de bundel Bij Verstek was hij kapot. Hij had afscheid van zijn moeder genomen in veertien zomerse dagen in de tuin. ‘Mijn overleden moeder neemt afscheid van mij, maar ik schrijf het op. Zij komt zeggen, dat er geen andere kant is. Maar ík laat haar dat natuurlijk zeggen. Indirect zeg ik tot mijzelf: er is geen voortbestaan meer na de dood. Ik ben heel erg katholiek opgevoed. Mijn moeder heeft in het klooster gezeten, mijn vader had twee capucijnerbroers, een die onderbisschop was. Een heel erg katholiek milieu, maar dat heb ik nooit erg gevonden. Vader had een schitterende tenor, hij zong in het koor en ik mocht mee naar boven vlakbij het orgel.´
‘Dat er na de dood niets komt, zeg ik tegen mezelf om me gerust te stellen. Boven heb ik een verzameling van 170 wijwatervaatjes. Het feit dat ik ze bewaar betekent dat er nog iets van geloof zit. En naast mijn bed heb ik een beeld van Theresia van Lisieux. Ik ben altijd lamgeslagen door mensen die een enorm geloof hebben zoals mijn moeder. Die steun heb ik niet meer. Ik zeg niet dat god niet bestaat maar ik kan niks meer met dat oude godsbesef van de katholieken.’ Hij is lang misdienaar geweest en had een huisaltaartje dat hij kort geleden aan een klein museum in Boxtel heeft geschonken. Hosties sneed hij zelf uit de vellen ouwel bestemd voor de bitterkoekjes die zijn vader bakte.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon