De Muze verleidt De Muze

proza-demuze

Woord vooraf bij de opening van de expositie De Muze verleidt De Muze van Kunstgroep Kolonie Plasmolen op vrijdag 13 april 2012 te Molenhoek.

Geachte kunstbroeders en - zusters en - liefhebbers,

Laat ik beginnen met het gedicht waaraan de naam van de expositie die ik mag openen, ontsproten is.

VERA JANACOPOULOS

Cantilene

Ambrosia, wat vloeit mij aan?
uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen

de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen

o muze in het morgenlicht
o minnares en slank gedicht
er is een god verscholen

violen vlagen op het mos
elysium, de vlinders los
en duizendjarig dolen

Zo dichtte Jan Engelman over de Griekse zangeres, de muze in het morgenlicht, tegelijk de muze van zijn gedicht. De muzen, ach de muzen *. Wat zouden we zonder hen zijn, de negen dochters van Zeus? Oorspronkelijk zanggodinnen (zoals in het vers van Engelman), werden zij later bij uitbreiding godinnen van kunsten en wetenschappen. Volgens de mythologie zijn ze geboren bij de Olympus, Griekenlands hoogste berg, verheven woonplaats van oppergod Zeus, waar zij bij voorkeur vertoeven om met hun stemmen de maaltijden der goden op te luisteren. De muzen verblijven ook op twee andere Griekse bergen, de Helicon en de Parnassus, ook wel de Dichterberg genoemd. De muzen zijn inmiddels over de hele wereld uitgezworven, in zowat alle talen, ook in de onze die er vol van is; sla er de Van Dale op na en je ontmoet een hele rits van de muze afgeleide woorden: muziek, musiceren, museum, musette, musical, muzikaal, muzische vorming, amusement, amusant tot in het restaurant waar de amuse een welkom intermezzo is, al treedt er nauwelijks nog een muze op tijdens de dis. Doorgaans klinkt daar nietszeggende muzak, behang -muziek.
Omdat verondersteld wordt dat de dichter op zijn Parnassus het dichtst bij de muzen leeft, begrijp ik waarom men een dichter heeft uitgenodigd om deze expositie te openen waarin immers het gedicht de inspiratiebron was, de muze. Ik zal proberen iets over míjn muze te zeggen, in de hoop dat ik ook iets beweer over de muzen van de kunstenaars in het algemeen.

In het gewone taalgebruik spreekt men over de Muze (liefst met hoofdletter) als inspiratiebron van de kunstenaar, vooral van de dichter. Míjn eerste muzen waren mijn ouders. Vijfentwintig jaar geleden publiceerde ik een kleine bundel over hen, de muzen uit mijn jeugd, en over de muzen daarna: mijn vrouw en kinderen. Hier heb ik die bundel, hij heet Klein Museum, een kleiner museum hebt u waarschijnlijk nooit gezien. Ik lees er het centrale vers uit:

BEHEER

Hoe ik met het houden
van ouders begon,
toen ik mij kwijt was
in een kind.

Tweemaal ouder werden zij
mijn oudste kinderen.

Zwakker wordend sterkten zij
in mij aan totdat zij ademden
als in hun eerste albums.

Hoe ik hun levens afstof,
restaureer, hun klein museum
conserveer.

Hoe ik verouder tot grijze wees
van onvergankelijke ouders.

Hoe het nooit meer ophoudt
toen te worden.

De laatste zin (‘Hoe het nooit meer ophoudt toen te worden”) houdt het programma in dat de meeste kunstenaars huldigen: dat van putten uit de herinnering, het gelukkige geheugen; het is niet voor niets dat de muzen de dochters zijn van Mnemosyne, de godin van de Herinnering.

Als men het doorgaans over de muze van een dichter, een kunstenaar in het algemeen heeft, denkt men al gauw aan een vrouw, een bepaalde vrouw, over wie men schrijft, voor en over wie men schildert, beeldhouwt, fotografeert etc. Als ik gedichten van collega-dichters lees waarin een vrouwelijke muze huist, word ik wel eens nieuwsgierig naar het levende exemplaar, wat natuurlijk een tamelijk foute gedachte is. Maar toch: meer dan eens ontmoet je de vrouw die door de dichter als zijn muze wordt beschouwd, en dan schrik je; is zij dat bijzondere, wonderbaarlijke door de dichter bezongen wezen, deze alledaagse, onbijzondere verschijning van middelbare leeftijd?
Hoewel mijn muze er nog best mag zijn, wapen ik mijzelf altijd tegen deze vergelijking. Ik probeer haar in het gedicht al zo te relativeren, met ironie in te kapselen, dat ze buiten het gedicht al vergoelijkt wordt, niet meer teleur kan stellen. Ben voorzichtig met je muze, houd ik mezelf steeds voor, maak haar niet te groot, anders is ze buiten het gedicht niet meer te houden, om van te houden. Collega Anton Korteweg zegt het zo in zijn gedicht OP VERZOEK:

Dat ik van je hou, dat wil ik dan
ook wel eens schrijven, nu je dat
zo vraagt. Want ik hou van je en
niet eens zo zelden, gezien de
vierduizend dagen en nachten.

Dat het lijkt of je nauwelijks
ouder geworden bent, dat
je soms nog ver weg kijkt als
was je verliefd, dat
je handen nog mooi zijn, verder
zou ik niet willen gaan.

Dat ik je wang soms zoek en niet
je mond.

Zo’n houding ten opzichte van je muze staat me wel aan. De dode Vlaamse dichter Herman de Coninck met wie ik me verwant voel, noemt dat ‘kleinspraak’: eerder een understatement dan hyperbool, eerder een verkleinwoord dan grootspraak. Ik geef u een voorbeeld uit mijn eigen poëzie:

LIEFDE

Een kwart eeuw terug
voor het eerst naast haar
wakker geloofde ik in haar
plotselinge dood, zo beweging-
loos, geruisloos bleek
lag zij in haar slaap.

Nu wekt zij mij elke nacht
met cirkelzaag en allerhande
boren, scheert zij snorkelend
en fluitend op haar bezem
door het duister. Heksen-
sabbat zes uur lang.

Je moet wel erg van iemand
houden, wil je vergeten
hoe het was.

Een andere voorwaarde waaraan ik me bij het dichten houd, is dat je niet over de Muze schrijft waar zij bij is. Haar aanwezigheid zou maar afleiden, stoorzender zijn, want haar nabijheid heft het verlangen op, de eros, die volgens Plato de aanzet is tot alle creativiteit. Zet haar het huis uit als je over haar dicht, is mijn ervaring.
En ga zeker niet zitten schrijven terwijl je geëmotioneerd bent, aangedaan door verliefdheid of liefdesverdriet, want dat is desastreus voor het resultaat. Te grote betrokkenheid is fataal: je zit voortdurend te janken boven je gedicht, dat geeft maar vlekken. Daarom schrijf je liefdespoëzie het best als de verliefdheid over is, of als die nog moet komen. Je moet nuchter zijn, niet dronken van de muze, het model of weet ik wat. Liefst afgekoelde emotie, afstand: dat is mijn adagium:

DICHTERSCHAP

Asjeblief, hou op met die benen
zo midden op de dag. Ik moet nog
naar een gedicht dat af wil.
Jaja, weer een over de liefde.

Hou nou op, haal m’n arm van je
weg voor die straks niet meer kan
schrijven. Natuurlijk gaat het over jou.

Ja, ik zie ook wel dat je daar
niet bent maar hier. Hoe lang ben
je nou al met je dichter vertrouwd?
Afstand, mevrouw, afstand!

De werkelijke wereld staat de wereld die je op papier schept in de weg. De vleselijke aanwezigheid van je Muze ontregelt haar alter ego op het papier. Dat moet zij goed in haar oren knopen.

HUISREGELS

Zij zit je danig in de weg,
ontregelt je terwijl je
op papier een afspraak
met haar hebt.

Verdwijn, gebied je haar,
ik ben de huisgod
die verlangend uitziet
naar zijn maaksel.

Begrijpt ze niet dat jij
de minnaar die zij wil
niet bent dan zonder
haar, als je in volste
eenzaamheid met haar
verkeert?

Nogmaals: de muze moet niet voor je neus zitten, maar in je hoofd; dán voedt ze je verlangen:

VERLANGEN

Hoe ik haar wilde
gister aan de Schelde
toen ze niet naast me
liep, niet met me naar
de boten keek, geen
mossel met me at, niet
naast me zweeg toen ik
terugreed.

Hoe ik van haar hield
toen ik naast haar neer
streek en zij sliep. Uren
heb ik na liggen verlangen
tot het vanmorgen over
ging in verlangen naar
gister aan de Schelde

Een gedicht schrijven is antwoord willen krijgen op de vraag: hoe ziet dit gedicht eruit? Het antwoord dat je geeft, roept nieuwe vragen op. Elk woord roept nieuwe woorden op, elke regel nieuwe regels. Het gedicht stuurt je tot het zich vrijgeeft, tot je (het) vindt. Dichten is nieuwsgierig zijn naar hoe taal wordt wat ze is; fijn achter de tafel zitten en dan onder je vingers het gedicht uit zien groeien. Ik probeer nooit te veel te begrijpen, maar probeer me te verwonderen over hoe een gedicht tot gedicht wordt. Je vindt een gedicht uit, het gedicht vindt jou uit. Wat (in) een gedicht is, is (in) de maker, ligt diep in hem verborgen.
Je vindt een gedicht uit, dat er eigenlijk al is, je bevrijdt een gedicht uit de taal zoals een beeldhouwer een beeld uit het marmer bevrijdt dat hij erin ziet. Als het af is, zegt het gedicht, het beeld: ja, zo is het goed, hier ben ik, fijn dat je me gevonden, gezien, zichtbaar gemaakt, verbeeld hebt. Zo zal het ook met een schilderij, een foto of andere kunstuiting gaan. Collega-dichter Rutger Kopland schreef het zo op:

DAVID

Beelden werden niet gemaakt, ze moesten ‘worden
bevrijd uit het marmer’, alsof ze er al waren,
altijd al,

(ergens, in een windstille juni, op een wit,
onbewoond eiland in een blauw-groene zee)

en inderdaad, hij vond een prachtige steen,
onder zijn huid een perfecte machine
van hersenen, spieren en hart,

en niets van moeite, niets van een beweging
die er ooit was of nog zou, alleen
houding, onverschillige kracht

van milliarden kristallen, volmaakte
kopie van een jeugd.

Soms en dan zie je de kunstenaar rondspringen in zijn atelier, de dichter uit het dakraam juichen, lijkt het resultaat op wat hen voor ogen stond. En heel soms is het kunstwerk zelfs zo gelukt, dat het gaat leven alsof het werkelijkheid geworden is, sterker nog: werkelijkheid wordt. Neem de beeldhouwer Pygmalion, koning van Cyprus. Lang werkte hij aan een ivoren vrouwenbeeld. Hij gaf het de perfecte schoonheid en uiteindelijk werd hij er smoorverliefd op. Hij schonk het allerlei cadeaus en juwelen, maar het bleef van ivoor; zo zijn vrouwen, had ik hem in kunnen fluisteren. Maar een andere dame kwam te hulp: Aphrodite wekt op verzoek van Pygmalion het beeld tot leven, waarna hij zijn eigen schepping, Galatea - zij die melkwit is - huwt. Tja, had Aphrodite zich beter niet mee kunnen bemoeien. Want niet alleen betekent het bezit van iets het einde van het verlangen, de inspiratie, ook is het levende beeld niet bestand tegen erosie, terwijl het ivoren beeld onveranderd schoon zal blijven. Aan ontgoocheling is dan bijna niet te ontkomen. Dan liever het omgekeerde: Paul Cézanne (1839-1906), hij schilderde bijna honderd maal de Mont Sainte -Victoire om het wezen van deze berg te ontdekken. Onder het schilderen ondervroeg hij de berg die tegenover hem bestond, hem van alle kanten bezag, werd één met de berg die zijn muze geworden was. De berg en zijn geschilderde equivalenten die afzonderlijk bleven bestaan, werden in Cézanne zélf verenigd.
Natuurlijk moet je de Muze serieus nemen, zo natuurgetrouw dat ze zo van het doek kán stappen, dat het gedicht Vera Janacopoulos van Engelman niet óver haar gaat, maar haar geworden is, dat het gedicht zelf is gaan zingen. Maar alleen in de verbeelding, in de kunst, niet in de werkelijkheid. Geen enkel geschilderd model is het wezen van vlees en bloed dat erop lijkt. Met een romanpersonage, een geschilderd naakt ga je niet naar bed. Dat er vroeger Kamervragen over gesteld zijn, zegt iets over de kortzichtigheid van onze politici.

We zijn niet allen Michelangelo’s en Cézannes. Meestal wil het creatief proces níet vlotten, hoewel alle voorwaarden vervuld leken: ingetogen licht, een kraakhelder wit doek, fris hoofd, zin om te scheppen en toch…. stopt het bij de eerste aanzet. “Weer niet gelukt” zeg ik een figuur uit een bekend kinderprogramma na. Over dat falen schreef de dichter Willem Jan Otten het volgende gedicht:

CONTRAPRESTATIE

Ik breng bijeen
een druiventros,
geplukt gevogelte,
een Keulse pot

en maak daarvan
een nature morte;
het schikken kost
een dag of drie.

Daarna (het licht
valt goed, niets
staat het scheppen
in de weg) richt ik

de ezel op, stop
een pijp en druk ik
mijn flambard wat
aan. Dan kies ik

kleuren, neem ik
het palet ter hand,
en knijp ik één oog
stevig dicht:

de eerste druiven,
zie ik, zijn al
uitgedroogd, het wild
al bijna weggerot.

Je kunt nog zo willen, alles zo voor elkaar hebben, maar op het moment dat het scheppen begint, is de inspiratie plotseling verdwenen, zegt Willem Jan Otten met dit vers. Al lijken alle voorwaarden ideaal, wanneer de uiteindelijke prestatie geleverd moet worden, schiet de mens tekort. Je wilt wel, maar je kunt niet. En als je wel kunt, kom je achteraf altijd weer tot de slotsom dat hetgeen je afgeleverd hebt, het niet haalt bij wat je je had voorgenomen. De muze lag klaar in je geest, de inspiratie was er, misschien ook nog de transpiratie, maar de devaluatie is weer niet uitgebleven, de desillusie evenmin.

Dames en heren, met een beetje goede wil kun je zeggen, dat we ons hier en nu bevinden in een museum, heiligdom der muzen. Vraag u af, waarom de exposerende kunstenaars juist dat ene gedicht of een frase daaruit tot hun Muze namen. Míjn huidige Muze ligt in het gedicht dat ik nu aan het einde van deze voordracht lees en waarmee ik de expositie voor geopend verklaar.

MUSEUMBEZOEK

Mijn lief gaat wat graag met me naar een museum
ten einde de dienstdoende lokettiste erop te kunnen
wijzen dat ik recht heb op reductie wegens 65+.
Soms moet ik mijn ouderenkaart laten zien.
Met ‘Dat geeft u hem toch niet, zeg nu zelf,’ ontlokt
ze - jong als een dochter - complimenten en bravootjes.
Ik haar museumstuk, zij mijn wakkere suppoost.

Ik dank u voor uw aandacht.

Victor Vroomkoning, Nijmegen 13 april 2012

*
Calliope = Die met de schone stem, muze van het epos, voorgesteld met wastafeltjes en schrijfstiften
Clio = De Verkondigende, muze der geschiedenis en van het epos, voorgesteld met een rol papier
Erato = De Beminnelijke, muze van de lyrische poëzie, vooral het minnedicht, draagt een lier
Euterpe = De Verblijdende, muze van het lierdicht, voorgesteld met dubbele fluit
Melpomene = De Zingende en Dansende, muze van het treurspel, draagt een tragisch masker en klimop
Polyhymnia = muze van het ernstige lied, de hymne of lofzang, statige vrouw, gehuld in mantel, peinzend
Terpsichore = De Danslustige, muze van de reidans, dansend afgebeeld met lier
Thalia = De Bloeiende, muze van het klucht- en blijspel, draagt een lachend masker, thyrsusstaf (afgeleid van Thyrsus, de herder) en klimopkrans
Urania = De Hemelse, muze van de sterrenkunde, voorgesteld met globe, bijnaam van Aphrodite:Venus
Sappho wordt wel de tiende muze genoemd.

PARNASSUS:

1)Ruig gebergte met twee besneeuwde toppen, aan de voet ervan ligt Delphi
2)Gebergte gewijd aan Apollo en de Muzen
3) Berg der dichters
4) Berg der Muzen
5) Dichtkunst
6) Gebied van de dichtkunst
7) Godenverblijf

OLYMPUS:

Hoogste berg in Griekenland, hoogte: 2917 m, is gelegen ten zuidwesten van Thessaloniki, niet ver van de kust. De Griekse dichter Homerus noemde deze berg het Huis van de goden. De Olympus wordt speciaal genoemd als verheven woonplaats van oppergod Zeus, vanwaar hij soms zijn bliksemschichten naar beneden afvuurde.

HELIKON: Berg in Griekenland, 1748 m. hoog, nabij de historische stad Thespiae in Boeotië, vlakbij de kust van de Golf van Korinthië waar volgens de Griekse mythologie de muzen woonden.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon