Meander 2007

Maarten Gulden, juni 2007

Waarom bent u dichter geworden?
Gezegend met enige muzikaliteit, speelde ik al vroeg viool en piano, componeerde eigentijdse melodieën, schreef er teksten bij. Op mijn middelbare school (het Eindhovense St.-Joriscollege van Gerard Knuvelder) deed ik aan cabaret en begon gedichten te schrijven in het schoolblad C-Paraat. Daarnaast schreef ik schelddichten op mijn leraren; het was om die reden dat ik mijn pseudoniem ontwierp.
Waarom ik ben gaan dichten? Het ging vanzelf (word je als dichter geboren?). Eerst in het begin van de jaren tachtig (ik was de veertig voorbij) ben ik in tijdschriften gaan publiceren. Ik weet niet of ik dichter ben. Ik ben een dichterlijk mens.

Welke dichters hebben uw werk beïnvloed?
Ik stel me in mijn poëzie nogal eens als een bewonderaar van andere gedichten op. Het is een vanzelfsprekende, geen expliciete intertekstualiteit. Nijhoff indachtig schreef ik gedichten als Genesis (Oud zeer) Queeste, Dialoog (Ijsbeerbestaan) en Dodemont, een lang episch vers in de traditie van Awater en Uur U. Achterberg resoneert in bijvoorbeeld Bandijk, Hereniging (Echo van een echo), Rendez-vous en Overzet (Oud zeer).
Vasalis bewonder ik om haar heldere verwoording. In haar poëzie gaat het nogal eens om het streven naar zuiverheid en geluk, tegelijkertijd over het menselijk tekort; in haar vers is vaak sprake van een omslag, een breking, een breuk (zie vraag 11 hieronder). In mijn gedichten probeer ik evenals zij vanuit een anekdotische setting algemeen menselijke dingen op te roepen in een toegankelijk vocabulaire. Ik voel me verwant met Anton Korteweg en vooral met Herman de Coninck met wie ik jaren lang over mijn werk correspondeerde, die mij stimuleerde en veel van mijn gedichten van commentaar voorzag. Hij is een talige dichter die zich soms te buiten gaat aan louter taalspél, woordspelingen, die ook mij niet vreemd zijn. In bijvoorbeeld Dichterschap, Bibliotheek en Ven (Ijsbeerbestaan) zal men zeker een echo van De Coninck kunnen horen. Met hem en Korteweg deel ik hun thema’s: liefde, erotiek, verlies, gemis, aftakeling, melancholie en dood. Nogal eens verpakt in een lichte, ironische context.
Zeker is er verwantschap met dichters als Jan Eijkelboom en Ed Leeflang.. Bij hen en mij gaat het meer om herinnering, herkenning, weemoed en bezinning dan om verbeelding, verwarring en experiment. Mijn gedichten vinden, evenals die van hen, hun grond in een (meestal private) anekdote, een levenservaring, een levensgevoel.

Ik lees, leer vooral van dichters die verzen schrijven over de intieme, alledaagse, kleine dingen in een vrij eenvou-dige, toegankelijke taal. Eerder vent dan vorm, eerder anekdote dan hermetisme. Het light verse is mij vreemd.

U heeft zowel filosofie als Nederlands gestudeerd. Is de filosoof terug te vinden in de gedichten?
Volgens Heidegger existeren zowel filosofen als dichters weliswaar op bergtoppen nabij het Zijn maar zijn ze gescheiden door een diep dal ertussen. Gedichten moeten niet gedachten blijken en omgekeerd. Filosofen zijn evenals dichters dan wel met het structureren van werkelijkheid bezig, maar zij doen dat in proza, waarbij taal – uitzonderingen als bijvoorbeeld Plato, Kierkegaard en Nietzsche daargelaten – toch vooral voermiddel is; bij dichters gáát het nu juist om taal. Filosofen ontwerpen dénkbeelden, dichters bedienen zich van beeldspráák. Bij de laatsten gaat het om originaliteit, oorspronkelijkheid van zegging, bij wijsgeren om authenticiteit van ideeën. Dichters schrijven ‘voor eigen rekening’, filosofen ontwikkelen hun stof meer in objectieve, algemener, onpersoonljker zin. Tijdens mijn studie filosofie schreef ik opvallend weinig poëzie; mijn hoofd stond bol van het geleerde proza.
Al zijn er meer verschillen, daarmee is niet gezegd, dat filosofie en poëzie elkaar uitsluiten. In mijn laatste bundels is zeker sprake van een filosofische inslag zoals in Het is niet (Bij verstek) en Een rivier, Het schouwen van vriend K en Alsof (Stapelen). Maar soms zet ik het denken juist tegen het dichten af, van me af, zoals in Tocht (Bij verstek) Magisch realisme, Orakel en Iets (Stapelen).

U bent naast dichter ook docent. Belemmert of inspireert het docentschap uw dichterschap?
Ik ben geen docent meer, al geef ik op scholen nog wel workshops poëzie. Op de middelbare school besteedde ik in mijn lessen literatuur veel aandacht aan poëzie tot en met het eindexamen; ook liet ik leerlingen gedichten schrijven die ze jaarlijks bundelden (zie Goffertpark in Stapelen). Op Interstudie, voorheen de Gelderse Leergangen (lerarenopleiding) gaf ik tekstkunde in het kader waarvan poëzie een belangrijke plaats innam. Die poëzie als constante in mijn lespraktijk prikkelde, inspireerde mijn schrijvershap. Mijn dichterschap heeft dus geen hinder ondervonden van mijn bedrijf als leraar. Integendeel. Ik heb het bijna steeds als bevruchtend ervaren, na de schoolse uren poëzie te kunnen schrijven; ook schreef ik tijdens de lesuren wel eens een regel op die ik thuis uitwerkte tot een vers. Door een vrij druk bestaan en tijdgebrek moest ik woekeren met mijn tijd, wilde ik dichten; juist die dagelijkse klem heeft mij tot geconcentreerd schrijven gebracht.
Nu ik buiten het arbeidsproces leef, ervaar ik de ruimte van tijd waarover ik beschik, niet altijd als zingevend. Het ontstaan van een vers is gebaat bij een zekere dwang, bijvoorbeeld door een deadline.

Is Nijmegen een geschikte plaats voor een dichter?
Ik leef nu 40 jaar in en om Nijmegen. Vanaf 1980 beweeg ik me in het literaire milieu. Ik heb hier veel literaire contacten. Ik ben nu nog juryvoorzitter van de BNL, voorheen SNS-Literatuurprijs, voor aankomende schrijvers opstapje naar landelijke erkenning; ben lid van de Commissie Literaire Bakens, die het aanbrengen van literaire teksten in de openbare ruimte bevordert en lid van het Stedelijk Netwerk Nijmegen. Vorig jaar septem-ber ben ik voor twee jaar benoemd tot stadsdichter van Nijmegen in welke hoedanigheid ik jaarlijks zes gedichten moet schrijven (inmiddels zijn de eerste zes verschenen), voor een ‘eenzame dode‘ een gedicht dien te schrijven en workshops aan scholieren zal verzorgen. Ook ben ik lid van de Letterentafel die op organisatorisch vlak de letteren behartigt.
Nijmegen is een achtenswaardige (volgens Nescio onHollandse) stad. Het bombardement in februari 1944 heeft een enorme krater geslagen in de oudste stad van Neder-land. Toch valt er nog veel te genieten van de mooie singels, de Waal en hier en daar een restje oudheid.
Natuurlijk is de ligging bijzonder, wat menig dichter inspireerde (zie de bloemlezing De navel van ’t land). Ik schreef vorig jaar Dodemont, een lang - in Nijmegen gesitueerd- episch gedicht (zie bij vraag 2). De omgeving van Nijmegen is hier en daar weergaloos (de Ooijpolder, Berg en Dal, Groesbeek, de Haterse Vennen). Ik heb er een klein fietsparcours uitgezet. Op de coureursfiets komt regelmatig een regel aanwaaien.
En natuurlijk is er de universiteit waaraan ik tweemaal studeerde. Ik kom bijna wekelijks op de campus, eet zo nu en dan nog tussen de studenten voor wie ik af en toe optreed in het Cultuurcafé. De literaire tijdschriften Parmentier en Op Ruwe Planken zijn belangrijke ijkpunten voor respectievelijk gevestigde en nieuwe namen. De Wintertuin en Onbederf’lijk Vers zorgen voor literaire manifestaties van de eerste orde. Met deze organisaties heb ik goede banden.
Zonder ervan te houden, vind ik Nijmegen een bijzondere stad.. Die omstandigheid, betrokkenheid en afstand tegelijk, is volgens mij ideaal voor een stadsdichter: zo gaat de inhoud niet met de vorm op de loop.

U heeft ook een bundel geschreven onder de naam Stella Napels. Worden dichters en dichteressen anders benaderd door de literaire kritiek?
De Vlaamse dichteres Lut de Block stelde Nooit te vangen met haar eigen pen samen, een bloemlezing waarin de vrouwelijke stem in de Nederlandstalige poëzie spreekt. De verschijning van deze bloemlezing wordt door de samenstelster gerechtvaardigd door onder meer te wijzen op het feit dat de dichteres minder aan bod komt dan de dichter. Ook zou blijken ‘dat vrouwelijke auteurs minder gevraagd worden voor het serieuze werk: buitenlandse tournees, belangrijke lezingen, grote interviews’. Schrijfsters menen bovendien dat ze niet enkel minder aan bod komen in de pers, maar dat ze tevens op een andere manier worden geïnterviewd en gerecenseerd, zegt onderzoekster Sigried Lievens. Vrouwelijks dichters zouden zich bescheidener en huiselijker gedragen dan hun mannelijke collega’s die ambitieuzer en commerciëler zouden zijn ingesteld. Uit de context maak ik op, dat dit vooral voor Vlaanderen geldt. De Nederlandse, zeker de jonge podiumdichteressen hebben absoluut niet te klagen over belangstelling; ze treden, althans dat is mijn indruk, even vaak op als hun mannelijke collega’s, in de pers worden hun boeken zeker niet minder besproken dan die van dichters. Integendeel: omdat ze minder in aantal zijn, worden de dichteressen met flink wat interesse gevolgd.

Ik wil hier op een ander aspect wijzen. Onder het heteroniem Mathilde Lippens publiceerde ik in ‘De Revisor’ en ‘Maatstaf’ een vijfentwintigtal manmoedige erotische verzen die zowel door de respectieve redacties als door literaire tijdschriftrecensenten veel waardering oogsten. Met een groot aantal van deze verzen won ik een belangrijke literaire prijs.Toen ik ze in Lippendienst bundelde onder de naam Stella Napels, kregen ze eerst welwillende aandacht, maar vanaf het moment dat de ware identiteit (die van mij) achterhaald was, werd de bundel als pornografisch afgedaan en werd ik nog net niet als vieze ouwe man bestempeld. Men voelde zich waarschijnlijk belazerd.
De ontvangst van Lippendienst toont nog maar eens aan, hoe lichtvaardig de poëziekritiek de lyrische ik met de biografische auteur zonder reserve vereenzelvigt. Incongruentie tussen auteur en ik-personage, in proza aan de orde van de dag en door de kritiek volkomen geaccepteerd, wordt in de poëziekritiek ontoelaatbaar geacht. In de poëzie worden doorleefdheid en authenticiteit blijkbaar zo van essentieel belang gevonden, dat de ‘ik’en de schrijver nagenoeg identiek moeten zijn, tenminste van dezelfde sekse. Ergo: men schrijft over proza anders dan over poëzie.

Is er verschil tussen mannelijke en vrouwelijke poëzie? En hoe is dit op het vlak van erotische gedichten?
Ik vind het een beetje vreemde vraag. Wat is mannelijke, wat vrouwelijke poëzie? Ik denk wel, dat de onderwerpen verschillen, de thema’s, dat er typisch vrouwelijke onderwerpen zijn: het moederschap, de kinderzorg, het rolpatroon waarover mannen zelden schrijven en zeker minder geëngageerd. Mannelijk schrijven en vrouwelijk schrijven zijn inwisselbare begrippen geworden. Sommige gedichten door mannen geschreven, zijn vrouwelijker dan vele gedichten geschreven door vrouwen. De vrouwelijke stem, is mijn visie, valt niet meer samen met de sekse van de auteur (zie bij vraag 6 hierboven). Als er al verschillen zijn, dan zou je vol kunnen houden, dat mannelijke poëzie objectiever, abstracter, academischer, rationeler, celebraler is, terwijl die van de dichteres gevoelsmatiger, zintuiglijker, intuïtiever is. Zeker op erotisch vlak.

Gaat u in de toekomst onder eigen naam ook erotische poëzie uitgeven?
Voor de goede orde: in mijn bundels staan al enkele min of meer erotische verzen, bijvoorbeeld: Lourdes, Bijslaap, Veertig, December (Echo van een echo), Zoals, En wat? (Ijsbeerbestaan), Laatst en Heet (Stapelen). Wel zou ik graag nog eens een ferme erotische búndel af willen scheiden maar dat is een hele onderneming. Liefdesgedichten, erotische verzen zeker, zijn de moeilijkste onder de poëzie. Ze vereisen hartstocht en afstand tegelijkertijd, zeg maar afgekoelde emotie. Er mag geen cliché doorheen glippen, platheid mag, maar gedoseerd, vals sentiment ligt op de loer, exaltatie is uit den boze. Maar misschien moet ik me spiegelen aan Carlos de Andrade, de Braziliaanse dichter, die op zijn ouwe dag (tegen de tachtig liep hij) die prachtbundel ‘O amor natural’ publiceerde (fraai vertaald door August Willemsen). Dan kan ik nog wat jaartjes wachten.

Uw werk gaat voornamelijk over de kleine, intieme dingen van het leven zoals ouders, jeugd, liefde en dood. Met welke reden is dit?
De Dood, een klein ding? Wat u de kleine dingen noemt, beschouw ik als de belangrijkste. Tussen geboorte en dood leven we, tussen Eros en Thanatos. Ik vertrouw wel Grote Gevoelens, niet de Grote Woorden erover. Als ik ze (ik bedoel de Grote Gevoelens) al in mijn poëzie te berde breng, worden ze in miniformaat opgediend, gelardeerd met understatement en weemoed. Herman de Coninck noemt dit ‘kleinspraak’ wat zoveel betekent als poëtische bescheidenheid: ingehouden drama, stilte na de storm. Liever het understatement dan de hyperbool. De dichter moet niet schreeuwen, holle woorden gebruiken, anders wordt hij onverstaanbaar. Er is poeha genoeg in de wereld, laat mij maar de intimist zijn voor wie sommige recensenten mij houden.
Volgens de Amerikaanse dichter William Carlos Williams (1883-1963) drukt elk gedicht dat ertoe doet het hele leven van de dichter uit. De essentie van poëzie ligt in het particuliere en concrete, alleen dát kan universele betekenis krijgen. ‘No ideas but in the things’ is zijn adagium. Ik zeg hem dat graag na.
Ik ga uit van de dagelijkse ervaring (in filosofische zin: de empirie van Locke en Hume in navolging van Aristoteles), noem de dingen bij de naam. Het is míjn vader die in mijn gedichten figureert; ik maak hem voorstelbaar, inleefbaar, invoelbaar opdat hij de vader van de lezer wordt. In mijn verzen spiegelt zich weliswaar mijn leven, maar - hoop ik - ook hét leven.
Overigens gaat het nooit om het wát maar om het hoé, hoe het staat opgeschreven, in taal uitgedrukt. Ik zeg niet: de inhoud, de stof is ondergeschikt; ik zeg: de inhoud doet er eerst toe als die adequaat staat opgeschreven.

Het gaat in mijn poëzie, wil ik, ook om het cruciale van waarneming. Ik wil de kinderlijke blik terug: hé, kijk eens; steeds met nieuwe, ontvankelijke ogen naar de (oude, vertrouwde) dingen kijken. Dat is poëzie, dat is wat poëzie doet, moet doen. Ik houd daarom van rituelen, herhalingen, niet om de gewenning, maar om het zich steeds vernieuwen in ogenschijnlijk onveranderlijke omstandigheden: niets blijft, alles herhaalt zich.

Uw poëzie gaat vaak uit van heel herkenbare zaken. Welke plaats heeft verbeelding in uw poëzie?
In mijn visie is alles wat geschreven is, autobiografisch; elke schrijver vertrekt vanuit zijn eigen biotoop.
Mijn voorstellingsvermogen, verbeeldingskracht, is beperkt. Ik schrijf over wat ik zie, wat ik beleef, althans dat is mijn uitgangspunt, vertrekpunt bij het schrijven van een gedicht. Noem het: anekdotisch. Daarna roept het ene woord het andere op en verdwijnt niet zelden de autobiografische aanzet. Het gedicht schrijft dan zichzelf uit, gaat met mij aan de haal. Het gedicht zelf krijgt verbeelding.

Ergens in een interview sprak u over de onontkoombare breking. Wat bedoelt u hier precies mee.
Vooral in mijn eerste bundels, De einders tegemoet en De laatste dingen, bepalen breuken, scheiding, dood, de inhoud. Het heeft te maken met een toentertijd aan den lijve ervaren crisis. De werkelijkheid van alledag doortrekt mijn eerste verzen, en dat is eigenlijk tot op de dag van vandaag niet veel anders. Boven een van mijn publicaties in het NWT, twee jaar later, plaatst Herman de Coninck de titel: Repeterende Breuken.
De eerste breuk in je leven is de komst in het daglicht uit het duister van de moederschoot; elke dag komen er nieuwe scheurtjes, kloofjes, breuken bij; verlangens kweken ontgoochelingen, niet ingeloste verwachtingen, verlatingen.

De mens wordt schuldeloos, waardevrij, geboren maar tijdens zijn leven raakt hij vol misère ondanks, nee:dankzij zichzelf (vergelijkbaar met de held in het Griekse drama). De onontkoombare dood werpt zijn schaduw vooruit. Kijk om je heen: veel rampspoed ondanks alle ‘goede bedoelingen’; de mens is uitgerust met schitterende kwaliteiten, tegelijk een onvolkomen wezen dat oorlog voert, zijn zuster verkracht, zijn broeder vermoordt. Veel liefdesrelaties beginnen moedig maar brokkelen af, en met de moed der wanhoop wordt er gescheiden.
Het enige wat een beetje helpt tegen dit onheil is relativiteitszin, ironie, die mij en het vers op de been houden. Je kunt je wapenen tegen de emotionele gevolgen ervan door de beginselen der Stoa of het Boeddhisme in praktijk te brengen, maar het lichaam wil niet altijd wat de geest dicteert. Ik mediteer zo nu en dan om me in evenwicht te houden; diezelfde functie heeft de poëzie.

De bundel Stapelen werd gekozen tot winnaar van de Publieksprijs. Er was enige discussie over deze toekenning. Hoe kijkt u hierop terug?
De Publieksprijs waarmee Stapelen bekroond is, was de eerste die door De Contrabas en Rottend Staal werd georganiseerd Bij een Publieksprijs gaat het om de score. Als je vindt, dat je een mooie bundel hebt afgeleverd, kan het geen kwaad daar anderen van in kennis te stellen. Ik heb dat gedaan. Velen wisten/ weten nauwelijks van het bestaan van beide voor de poëzie toonaangevende internetsites. Je mag kennelijk overal reclame voor maken behalve voor je eigen boek. Dat is natuurlijk onzin.
Toen een hele klas uit Oss die Stapelen in de lessen Nederlands gelezen had, op de bundel stemde, viel dat bij sommige collega-dichters in verkeerde aarde. De winnaar van dit jaar, Frank Pollet, heeft hemel en aarde bewogen om de Prijs in de wacht te slepen. En waarom niet? Zo heeft zijn bundel de aandacht gekregen die deze volgens hem verdiende. Daar is niets mis mee. Ik heb me verbaasd over de discussie die over mijn hoofd gevoerd werd tussen de dichters en de desbetreffende leerlingen en de dichters onderling van wie sommige tegen de leerlingen van leer trokken, andere hen (en mij) verdedigden.

Waarmee bent u momenteel bezig op het gebied van poëzie?
Als stadsdichter van Nijmegen moet ik hier en daar optreden, word ik geacht een woordje te zeggen op de bijeenkomsten van het Stedelijk Netwerk, geef ik workshops op scholen, publiceer ik aan Nijmegen gerelateerde gedichten in De Gelderlander. Als juryvoorzitter van de BNL (voorheen SNS-) Literatuurprijs (die over een aantal weken in Lux wordt uitgereikt) lees ik een groot aantal manuscripten. Ook adviseer ik momenteel een paar dichters inzake hun werk, schrijf ik een inleiding bij een Verzameld Werk.
Volgend jaar is het 25 jaar geleden dat mijn eerste bundel verscheen. De laatste maanden ben ik doende me dat te realiseren in een terugblik op mijn werk. Mogelijk dat dit volgend najaar, wanneer ik zeventig word, uitmondt in een publicatie.
Sinds Stapelen (2005) schreef ik weer een flink aantal verzen ,bestemd voor een nieuwe bundel; elke maand komen daar een paar gedichten bij.
Als lid van de Commissie Literaire Bakens ijver ik ervoor, frases van proza en gedichten in de Nijmeegse openbare ruimte afgebeeld te krijgen.
Het hele jaar door lees ik in het land uit eigen werk en geef ik workshops.

Op welke wijze zou u herinnerd willen worden?
Vuilniszakken is al zo vaak gebloemleesd dat het mij wel zal overleven. Ik hoop dat Bedrijvigheid, Vloedlijn en Vakwerk nog in lengte van dagen zullen beklijven.

Bedrijvigheid (uit: Ijsbeerbestaan)

Ik maak veel mee.
Vanaf mijn eerste dag
zoek ik mijn ouders
in mijn ouders tot hun
oogopslag vanmorgen.
Ook leef ik veel levens
tussen vrouw en kinderen
krijg steeds kennis aan
de vrienden die ik heb.
Onderwijl bereis ik
de halve wereld in mijn
land, verhuis aldoor in
mijn stad en zwerf door
de vier tuinen van mijn
tuin. Ik kijk mijn ogen
uit naar het weekdier
in mijn dagelijkse bad
herlees mijn twintig boeken
twintig maal, herschrijf
mijn honderd verzen
onophoudelijk en heb lief
alsof ik nooit heb liefgehad.

Vloedlijn (uit: Echo van een echo)

Nooit moeder zo nabij
als bij Bordeaux. De cel
waaruit ik bel, maakt
nu het vloed is bijna

water. Ik voed de navel
streng van duizend kilo
meter ouderwets met
munten. Cijfers geven aan

hoelang ik nog mag luisteren
naar adem die mij leven gaf.
De haren in mijn oren rijzen
van de dingen die zij fluisterend

kan zeggen nu ik zover weg ben.
Als ik naar vader dreg, bekent
zij mij zijn dood vlakbij.
Ik hoor hem sterven in haar stem.

Tweemaal per week spoelt moeder
aan, ebt vader weg. En ik maar
staren over zee, mijn droge lippen
in de schelp van haar oor.

Nacht (uit: Bij verstek)

Laat mij vannacht niet naar mijzelf gaan
liefste, doe me dat niet aan, het licht
is weg,de kans is groot dat ik verdwaal
te midden van de woestenij van je gericht.

Ik ben wellicht een lijfeigene van niets
maar liever die dan als een overspelige
te worden heengezonden om nadien
weer te vergaan in het luchtledige.

Duld me in de plooien van je slaap
ik ducht geen afstand als je wenst
dat we elkaar niet naken

maar wek me morgenochtend met de mond
waarmee je me omzichtig ging verkennen
tot je al mijn lippen had gevonden.

Kunt u kort toelichten waarom u deze drie gedichten heeft gekozen?
Bedrijvigheid bevat mijn microwereld, tegelijk alles wat me bezielt en tot dichten aanspoort: het intieme, geringe, de naaste, de naasten, dichtbije, voor-het-grijpen dingen en mensen. En dat zich dat eeuwig moge herhalen.
Vloedlijn beschouw ikzelf als een van mijn best geslaagde, mooiste verzen. Elke keer als ik het lees, en ik lees het nogal eens tijdens optredens, herinnert het me aan mijn jaarlijks verblijf aan de Atlantische kust nabij Bordeaux. De beelden in het gedicht (vooral dat van de navelstreng) roepen bij het publiek steeds veel herkenning en instemming op.
Nacht is een van mijn favoriete erotische verzen. Het is geschreven vanuit een vrouwelijk ik waardoor het aan-sluit bij de gedichten uit Lippendienst van mijn alter ego.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon