Wie wij zoal waren

Bij de presentatie van de nieuwe bundel van Harry M.P.Van de Vijfeijke Nijmegen, 22 februari 2007.

Dames en heren,

Afstand is een achtenswaardig ding. Het gemis, dat daardoor ontstaat, is een kweekvijver voor allerlei moois en lelijks: gedachten die nooit bij je opkwamen maar nu helder voor je geest komen, telefoongesprekken waaronder je de meest zachte en verschrikkelijke dingen in de ander haar oor kunt fluisteren, brieven waarin je nu eens de lieve of harde waarheid durft zeggen, e-mails waarin je je vrijmoedig uitspreekt, je hart lucht. Op afstand blikt je oog kritisch en fris, ben je goed bij stem, ben je heer en meester zonder de aanwezigheid van de ander.
Afstand kweekt vooral verbeelding want wat zich aan het oog onttrekt gaat een eigen leven leiden zoals dat zo mooi heet. In die verbeelding kun je je veel permitteren: dat je bijvoorbeeld elke dag een paar keer met haar naar bed gaat in plaats van die ene keer per maand. Ik kies hier steeds voor de heterosexuele verhouding omdat ik die van zeer nabij ken en omdat de ‘ik’ zich in de gedichten van Harry M.P. van de Vijfeijke als een onbetwijfelbaar heterosexuele man manifesteert
Ander voorbeeld: dat monster van je geliefde wordt al gauw een redelijk uitziende dame; haar eeuwige gepoets een schoonheidsfoutje. Dat je haar daarna weer zult ontmoeten waarbij je over haar vermaledijde dweil uitglijdt, vergeet je even.

De dichter is bij uitstek een afstandelijk wezen; ik bedoel: zijn werk noodzaakt hem tot isolement waardoor het mes van twee kanten snijdt, want dat isolement, die afstand, voedt tegelijkertijd zijn verbeelding. De eeuwige geïsoleer-de verlanger die hij is, gaat er natuurlijk meteen geweldig op los liegen want zijn voorstellingsvermogen is spreek-woordelijk. Hij gaat bijvoorbeeld zijn eigen vrouw als de eeuwige geliefde - liefst met Hoofdletters - beschouwen, maar heb je hem thuis al eens met haar gezien?

De grootste afstand schept de dood. Die afstand zal nooit het verlangen stillen, daar is Ie te groot voor. Maar toch spreken tallozen per dag tot hun gestorven dierbaren, als nooit daarvoor tijdens hun levens. De definitieve afstand die de dood brengt, voedt de verbeelding het meest.
Die van de dichter in het bijzonder, want welke sterveling is er ontvankelijker voor het wezen van de dood? In de poëzie van Van de Vijfeijke gaan Eros en Thanatos, de beide voeders van de verbeelding, hand in hand.

Hoe schept de dichter om wie wij hier aanwezig zijn, de noodzakelijke afstand? ‘Genoeg van het slome samen’ zoals hij het in een gedicht noemt, pakt hij de fiets, de schaats, de skeeler (dit woord valt overigens nergens); hij pakt zichzelf op en verdwijnt ook wandelend en gemotoriseerd voor een halve tot hele dag naar dijk, bos, dorp, stad. En meteen naar zijn verbeelding.
Hij manoevreert zich alleen, wat noodzakelijk en dienstbaar tegelijk is. Van de Vijfeijke melkt de dag. Tijdens zijn tocht komt het een en ander los (ik blijf een beetje bij zijn eigen jargon): niet zozeer zijn ledematen, maar vooral de maten van zijn toekomstig vers; op die deining, die cadans, dat tempo ontplooit zich de inhoud, vaak een mijmering, een herinnering, soms melancholisch, maar even vaak monter (van: hier ben ik, zie eens hoe ik het naar mijn zin heb, hier op de dijk, hoe ik mijn zinnen heb) want gaandeweg zwelt het verlangen tot een gedicht. En als de dichter thuis is, begint ie aan de afwerking. Wel met zijn geliefde om zich heen, maar dan zit het verlangen al in het gedicht en niet meer in de man, zal ik maar hopen.
Het is een eenvoudig doch slim recept: ‘s Ochtends het liefdevolle bed verlaten, om verlangen te kweken ten einde er ontwerpen voor gedichten van te maken om die ’s avonds af te ronden of weken, maanden erna.

Het werk van Van de Vijfeijke is sterk autobiografisch denk ik; als je zijn gedichten kent, ken je niet alleen de ik maar ook de man die aan de Ubbergseveldweg nr.79 te Nijmegen woont. Maar ik weet maar al te goed, dat dit een hachelijk standpunt is. Dus spreek ik ook zijn levenspartner die daar woont niet aan op wat de dichter ons van haar laat zien, wat hij met haar wil.

De taal in de nieuwe bundel weerspiegelt de opvatting van de dichter, dat het allemaal vooral gewoon moet blijven, relatief, beetje klein, intiem. Woorden als: zoals, losjes, nog wat,
al wat, ik doe maar aan, wat heen en weer; het is die losse cadans die de hele bundel zijn ritme geeft. Het ‘wij’ in de titel: ‘wie wij zoals waren’ is het bescheidenheidsmeervoud van een dichter die misschien wel grote verlangens koestert maar die terugbrengt tot de menselijke maat, die van ‘ons’. Afgekoelde emotie, geen grote lyrische evocaties. Geen hemelbestormer is Van de Vijfeijke, wel een scherp, tegelijk mild en ironisch om zich heen kijkende klein geluk zoeker.

De bundel bestaat uit 4 afdelingen van om en nabij dezelfde lengte; in de eerste staat de vaderfiguur maar toch ook het dichterschap centraal, in de 2e de geliefde, in de 3e een aantal plaatsen die hem tot filosoferen brengt, waar hij zich bezint, locaties die hem terugbrengen bij de jongen die hij was, bij een ander, de geliefde, de vader, de moeder; en in de laatste afdeling Nijmegen en omstreken. Vijftig verzen waarvan de toon in alle afdelingen dezelfde is.

In de eerste afdeling confronteert de ik zichzelf en de lezer met de vaderfiguur met wie de ik zich identificeert: ‘Ik lijk op hem’en ‘Ik zal sterven als mijn vader’. De dichter houdt ’het schijfmachien paraat opdat wie wij zoal waren, gebonden staat’. Mooi gezegd. Ik houd wel van dit soort gelaagdheden.Een mooi voorbeeld ervan is ‘Script’ waarin de zoon de vader ophaalt voor een ritje met de wagen: ik citeer:

‘Het script ligt per bezoekdag klaar.
Scenario van niks: de wagen voor.’

Vader en zoon weten waar ze zich aan moeten houden, vooral de zoon. Ze gaan een dagje uit rijden in de wagen van de zoon. Maar de wagen verwijst ook naar de wagen van de schrijfmachine en dan staat er zoiets als: de tekst gaat over een plichtmatig bezoek, inderdaad een scenario van niks, maar: alles is ook klaar voor een bezoek aan het papier, de start van een nieuw vers: van het bezoek moet een vers gemaakt worden. Of misschien nog anders: in het vers wordt het bezoek gemaakt, daarbuiten doet ‘t er niet toe. Het script is de tekst van het gedicht.

‘En binnen script en wagenkooi
bewegen wij’ gaat het verder en

‘Het benig hoofd wendt zich
op steeds stroever as’
de as van de auto enerzijds, tegelijkertijd de as van de schrijfmachine: het ritje wil niet vlotten én: het dichtproces over zijn reis met de vader verloopt stroef, staat er dan óók.

Het is jammer, dat de dichter dit beeld niet volhoudt, als hij zegt:
‘Ik zet van tijd
tot tijd
de auto stil.’

Met dat woord ‘auto’ verliest de lezer het dubbelspel dat wel met ‘wagen’ mogelijk was.

Explicieter wordt het schrijfproces beschreven in het afsluitende gedicht van deze afdeling: ‘Een slag, het maait opzij’ waarin de vader koren bundelt en de dichter, inderdaad, gedichten. De dichter bundelt in zijn verzen zijn vader, zoals die koren bundelde. De dichter is als zijn vader, met zijn

‘vroege zicht, vlijmscherp na de natte
steen voor het middagwetten.’

Mooi is hier het woord ‘zicht ‘in dubbele betekenis: de zeis en de ogen. Vaders arbeid is die als van zijn zoon die in zijn gedichten een scherp oog tegelijkertijd een snoeimes moet hebben, om het overtollige, zeg maar het kaf van het koren te scheiden in zijn gedichten. Ik heb wel drie lagen ontdekt in de zin waarmee dit gedicht zijn finale bereikt:
‘Ik noem mijn gave werk gedichten’ [uitleggen ].

Een mooi afwijkend gedicht vind ik het gedicht: ‘Het zal niet wennen’, waarin hij zijn vader met een oude zwaluw vergelijkt:
‘En morgen val je van de draad,
de grote griep maakt dood.’

De verzen in Afdeling 2 zijn zonder terughoudendheid odes aan de geliefde: ‘ik schep je iedere dag liefst groot van hart en kortgerokt’; ze zijn zeker ook erotisch te noemen; de dichter voelt zich vooral tot de achterkant van de geliefde aangetrokken, de ‘billenweelde’ van zijn ‘oproepmaagd’, de woorden zijn niet van mij; onderweg haalt hij van alles daarover in zijn kop. Zelfs in Brussel, de geliefde is nota bene met hem meegereisd, is haar achterkant hem meer waard dan alles wat hij daar zag.

De ik warmt zich als het ware tijdens zijn dagelijkse uitstapjes op. ‘De roede reikt’ staat er als hij in de stad de dames achter glas schouwt; maar de afwerking is voor de transparantere jij achter het thuisraam. Brave borst, denk ik dan, brave dichter. Beetje hitsig ouwe dichter ook die zich lekker maakt voor straks.
In het gedicht ‘De Mookerhei’ vereenzelvigt de ik en zijn geliefde zich met de daar grazende hooglanders. De beelden zijn zonder meer sexueel geladen.

‘Het is een voorjaarswaas
waaruit ver en dicht de Overmase
gotiek piekt, omhoog de wens,
dat ik je hier begraas.’

In een eerder vers uit deze afdeling hebben ze elkaar al eens ‘te grazen genomen’.

Ik ga hier niet uitweiden over beruchte vergelijkingen tussen koeien en dichters en vrouwen en koeien, maar het lijkt me voor een recensent de moeite waard die eens in de poëzie van Van de Vijfeijke te duiden. Hij kan dan beginnen met ‘De koeien slaan’, gedicht uit de derde afdeling. Wat mij betreft het meest erotische uit de hele bundel. De dichter bevindt zich alleen in de wei:

‘Droog bermgras dolt
mijn driften. Hooi fluistert
onomwonden in mijn rooie oren:
komt thuis, (ga liggen) vriend.’
(..)
‘Het hurken, waaien van de jurk
belofte, waar een dag om
draait, zag ik al in de morgen.

Én dan weer de verwijzing naar de schrijfmachine:
‘De wagen dokkert vlak
en braaf vandaag.’ (zijn vers houdt het braaf)

Maar dan voor de goede verstaander de uitsmijter:
‘Ik staar naar de koe:
weet voor wie zij is bedoeld’.

In de laatste afdeling neemt Van de Vijfeijke een voorschot op een gewenst stadsdichterschap. In een tiental verzen laat hij zien dat hij treffend kan schrijven over Nijmeegse plekken. Hij houdt van de stad, dat is evident, van zijn Havana aan de Waal, al is zijn pen hier soms kritischer dan in de andere afdelingen wat misschien terug te voeren is tot de afstand die hij als Brabander tot deze stad heeft.

Laat me de dichter feliciteren met zijn nieuwe bundel waarin hij het eeuwig ontbreken van wat hij mist heeft omgezet in verzen waarmee hij ze tegen de tijd in blijft bewaren, die tijdloze momenten.
‘Wie wij zoal waren’is de verbeelde werkelijkheid van een lijfelijk, aards dichter, een boeren stadsdichter zo men wil, een die de liefde zoekt en vindt, een dichtende buitenman die de reflectie niet schuwt, noch over het leven, noch over de dood.

‘Er sterven vaker zwanen,
aangekleefd, in de vroege uren’ is een fraaie metafoor voor zijn eigen sterven..

Ik hoop dat Harry M.P.Van de Vijfeijke nog even wacht met zijn zwanenzang.

Dat hij nog lang dichtend moge leven!

Victor Vroomkoning


Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon