decontrabas.com 2005

www.decontrabas.com, mini-interview door Bart Stouten, 2005.

Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Met het gedicht Bedrijvigheid uit ‘IJsbeerbestaan’

Bedrijvigheid

Ik heb veel meegemaakt.
Vanaf mijn eerste dag
zocht ik mijn ouders
in mijn ouders tot hun
oogopslag vanmorgen.
Ook leefde ik veel levens
tussen vrouw en kinderen,
kreeg steeds kennis aan
de vrienden die ik had.
Onderwijl bereisde ik
de halve wereld in mijn
land, verhuisde aldoor in
mijn stad en zwierf door
de vier tuinen van mijn
tuin. Ik keek mijn ogen
uit naar het weekdier
in mijn dagelijkse bad,
herlas mijn twintig boeken
twintig maal, herschreef
mijn honderd verzen
onophoudelijk en had lief
alsof ik nooit had liefgehad

Dit gedicht is niet meer en niet minder dan mijn poëtisch manifest. Met weinig verbeeldingskracht begiftigd, zoek ik het in mijn gedichten allemaal dichtbij. Ik houd het nogal klein omdat de wereld me te groot is. Ik heb weinig talent voor het oproepen van grote dingen, van grootheden. Liever dicht ik over de intieme, kleine, dichtbije dingen, vooral over die tussen mensen. Ik dicht o.a. om mensenkennis op te doen, vooral die van mijzelf. Ik doe dat doorgaans in bondige verzen, meestal episch van aard, soms beschouwelijk, meestal aanschouwelijk. Hoewel ik wel eens een sonnet schrijf, houd ik van vrije verzen met tamelijk wat assonantie. De paradox is mij niet vreemd, het oxymoron evenmin.

Waarom poëzie?
Tja, lastig te zeggen. Omdat mijns inziens alles wat gebeurt toeval, zal dat ook hier wel gelden. Ik ben een beetje toegerust met muzikaliteit (ik speelde vroeger viool en piano), had een oom die gedichten schreef, maar mijn tweelingzus snapt niets van wat ik doe. Ik had het in de muziek misschien ook een beetje gemaakt, heb wat melodieën op mijn naam staan, fluit nogal eens zelfgemaakte deuntjes voor me uit. Voor proza heb ik misschien wel talent, maar mis ik de lange adem. Ik heb één verhaal geschreven maar dat vergde zoveel verbeeldings- kracht, dat ik een half jaar bij moest komen. Ook schreef ik een toneelstuk, dat weliswaar werd opgevoerd maar geen vervolg kreeg. Tijdens mijn middelbare- schooltijd ben ik met dichten begonnen. Uit pure onvrede met het gezag van mijn docenten en omdat ik me rot verveelde, voortdurend in de cinema zat in plaats van in welke klas dan ook van het Sint- Joriscollege van Gerard Knuvelder. Het wereldrecord spijbelen bracht een flonkerende diamant; niet overdrijven: een licht blinkende steen: mijn poëzie.

Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Ik las tijdens mijn studie Nederlands veel dichters. Gerrit Achterberg en Martinius Nijhoff vond ik meteen belangrijk, Vasalis ook. Enkele verzen heb ik in navolging van de beide eersten geschreven, zonder ze te plagiëren, te imiteren, of te persifleren.Voor mij vertegenwoordig(d)en ze zoiets als het magisch realisme in de poëzie. Onlangs heb ik een lang episch gedicht geschreven in de traditie van Awater en Het Uur U. Bij Vasalis vind ik de omslag in haar gedichten interessant, liever: de tegenstelling daarin, bijvoorbeeld tussen orde en chaos; zij roept algemeen menselijke dingen op, probeert de grote waarheden van het leven onder woorden te brengen, het streven naar zuiverheid, geluk, maar vooral het menselijk tekort in een heldere, eenvoudige taal. En om dat laatste lees ik haar graag. Judith Herzberg sluit daar een beetje bij aan, vind ik, hoewel haar taal dichter tegen de gewone omgangstaal aanleunt. Vooral haar oog voor het kleine bekoort me.
Ook Anton Korteweg lees ik graag; zijn ironische distantie bevalt me; zijn ontgoocheling, vooral in de erotiek, is mij niet vreemd, althans in mijn gedichten; hij heeft eenzelfde oog als dat van Herzberg, even nuchter, maar is humoristischer.
Ten slotte moet ik Herman de Coninck noemen, die de gewone alledaagse werkelijkheid zo helder mogelijk uitdrukt in een spreekachtig eenvoudig badinerend idioom. Van hem leerde ik de term ’kleinspraak’wat zoiets wil zeggen als: poëtische bescheidenheid. Hij koos -en ik toch ook- voor het under- in plaats van het overstatement, voor het diminutief in plaats van de abstracte grootheid. Hij is bij uitstek een talige dichter, wat wel eens uitmondt in flauwe grapjes, vergezochte woordspelingen, iets waar ik mijzelf ook wel aan bezondig. Met hem deel ik zijn thema’s: liefde, erotiek, eenzaamheid (daarin), verlies, gemis, aftakeling en dood.
Het zal duidelijk zijn, dat ik vooral dichters lees, van dichters leer, die toegankelijke poëzie schrijven, over de intieme, kleine dingen des levens in een eenvoudig jargon. Afgekoeld sentiment, een ironische distantie, een goed oog voor de menselijke maat, die dingen spreken mij aan. Eerder vent dan vorm, hart dan hersenwerk, eerder anekdote dan hermetisme.
Het experimentele van de De Vijftigers begreep ik niet meteen; ik ging -ook voor mijzelf- onbegrijpelijke verzen tegen hun poëzie in schrijven; pas later heb ik de grootheid van Lucebert onderkend. In het online-tijdschrift komkommerenkwel.nl ontvouw ik mijn eigen poëtica in een commentaar op zijn vier zogenaamde Roepingsgedichten. Een andere Vijftiger, Schierbeek, heeft mijns inziens een van de mooiste bundels uit onze literatuur op zijn naam staan: De Deur, in een sobere, heldere taal, precies wat mij aanspreekt.

Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Een gedicht van Roel Richelieu van Londersele. Wordt van mij wel eens gezegd, dat ik de intimist onder de Nederlandse dichters ben, hij is dat zeker onder de Vlaamse. Ik heb veel affiniteit met zijn werk wat de thematiek en het beeldmateriaal betreft. Maar bij hem is het allemaal aangedikt. Er is veel gemis, veel dood , het ervóór en een eeuwigheid erna, veel eindeloze herinnering in zijn poëzie. Weinig ironie. Het gaat hem om het klein ongeluk, veel wee, weinig moed. Hij is verzonken in het verleden. Zijn beelden zijn fraai, al wil hij wel eens dezelfde gebruiken, maar dat heb je vaak bij melancholieke dichters. Opvallend zijn zijn titelloze verzen, het ontbreken van hoofdletters, er is nauwelijks interpunctie. Daardoor lijken al zijn verzen één geheel te vormen, lijken de verzen op elkaar en maakt het niet veel uit welk vers je voorrang verleent. Ik neem dit:

ik hou van mensen die blijven, zei hij,
we stonden samen onder het afdak te turen
naar het kantwerk van de winterbomen
en door zijn woorden had ik moeite om weg te gaan

hij voerde me door de geschonden lanen van zijn jeugd,
langs vergane boomgaarden, nabij tere beken,
voor een gesloopt huis hield hij halt en
keek heimelijk door het venster van zijn eerste liefde
aarzelend sloop er zomer in zijn stem
en ik zag dat hij even weg was

(uit: Een mens op de bodem, Atlas 2001)

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon