Het formaat van waterland

waterland

(met foto’s van Hans Bol), Recto Verso, Ooij 2004

Wam de Moor

Kijken, naar binnen en naar buiten (naar aanleiding van 'Het formaat van Waterland)

Bij de poëzie van Victor Vroomkoning

De maker van de foto’s in dit boek en de dich-ter moeten elkaar reeds lang kennen. Want al op het omslag van Klein Museum (1987) staat Vroomkoning, armen over elkaar, rustig naar de ander te kijken. Dit boek moet voor hen de verwezenlijking van een ooit gedroomde sa-menwerking zijn. Victor Vroomkoning (1938) debuteerde in 1982 met poëzie in veel Neder-landse en Vlaamse tijdschriften en werd aan-vankelijk met name in Vlaanderen opgemerkt en pas later in ons land.

Vroomkoning is, als dichter, een lieve, kwets-bare, bekommerde zoon, man en vader, die al zijn hele dichterlijke leven nadenkt over de mensen met wie hij samenleeft. Daarin is hij, als geen andere dichter in ons taalgebied, verwant aan de in Vlaanderen altijd al onge-kend populaire Herman de Coninck, die na zijn dood ook bij ons tot de veelgelezen dichters is gaan behoren. De overeenkomst met De Coninck geldt ook voor de humor in veel van Vroomkonings gedichten, zoals ze onder meer verschenen in de bundels Klein museum, Echo van een echo (1990), Oud zeer (1993), IJsbeerbestaan (1999) en Bij verstek (2002). Die humor houdt de toon heel licht en steunt vooral op een mengeling van zelfspot en weemoed om het ouder worden. Dat klinkt dan bijvoorbeeld zo:

Als je me oud vindt,
te oud om het nog eens
met je te doen, neem
dan mijn foto’s in je
hand en zeg: ja,
zo was, zo ben je,
jong, lief, zacht, sterk
en kom dan naar me toe,
sluit je ogen en doe
het met me zoals
je het met me deed
gisteren, eergisteren,
eereergisteren.

Het sterke en overtuigende van dit gedicht ligt in de tweede helft ervan, waar de dichter alle gevaar van sentimentaliteit, dat in de eerste regels schuilt, wegneemt door de ver-wijzing naar de eens zo vanzelfspreken-de sexualiteit.
Dat Vroomkoning dicht om schrijvend zijn le-ven een extra dimensie te geven, bewijst elk gedicht. Het blijft niet bij de charme van het kijken naar oude foto’s in een album. Er ont-staat in de dichter een wisselwerking tussen hem en de plaatjes. Hij brengt ze in zijn ver-beelding tot leven en overbrugt zo ruimte en tijd, herbeleeft als hij al tegen de vijftig loopt, de moeder zoals ze ooit voor hem kon zijn als een minnares naar wie het jongetje uitzag. In Klein Museum staan dan regels die hij schrijft als hij pas vader is geworden:

Hoe ik met het houden van
ouders begon
toen ik mij kwijt was
in een kind

Later worden de ouders ‘tweemaal ouder.... mijn oudste kinderen’. Zijn gedicht ‘Vuilniszakken’ uit Echo van een echo is waarschijn-lijk zijn meest geciteerde en gebloemleesde gedicht, juist omdat het zo sterk de metafoor van vuilniszakken, ‘vormeloos, vol afgedankt / leven, tegelijk broos / en weerloos’ toepast op het ouderpaar. Hier stijgt het gedicht ver uit boven zijn aanleiding. Dat geldt ook voor veel gedichten in Vroomkonings bundel Bij verstek. Ook hier spreekt herhaaldelijk het verleden. Ook hier is hij de rouwende, maar wel een die weet dat er eens een einde moet komen aan het rouwen, want dat hij, wees geworden, verder moet: ‘Vooruit, Orpheus, vooruit!’

Hoe treffend zijn intussen, naast de vele reminiscenties aan de liefde voor de moeder, de portretten die de dichter van zijn vader dichtte, de bakker, ‘de grote zwijger die mijn vader was’, de man die, als hij een beetje dronken van de koorrepetitie thuiskwam, flarden Latijnse mis onderaan de trap zong. Prachtig is een sonnet, waarin de dichter zich verbeeldt het kind in de moederschoot te zijn, dat, kort voor het ter wereld komt, de vader zijn solo hoort zingen tijdens de mis. Het heet dan ook ‘Hooglied’ en het is een van de eerste gedichten die u aantreft in het boek dat voor u ligt.

De gedichten in dit bijzondere boek laten zich na het voorgaande gemakkelijk herkennen als typische gedichten van Vroomkoning. Niet alleen dat een aantal eerder, zónder de foto’s, een eigen leven leidden, maar ook, omdat de diepe verbondenheid met zijn nu gestorven, maar opnieuw tot leven geroepen dierbaren, in de gedichten aanwezig blijft. En daarbij heeft Vroomkoning zich vanaf zijn debuut een excellente natuurdichter getoond, die kijken kan als geen ander, niet alleen naar binnen en zichzelf, maar ook naar buiten.
Het polderlandschap, de rivier, de uiterwaarden, ze hebben hier de plaats ingenomen van zijn eerder liefdevol en aandachtig beschre-ven landschappen in het heuvelgebied rondom Nijmegen, waarmee de dichter, uit het verrukking, die het geleefde leven zelf nooit bieden kan’. Het zijn gevoelens, die bij ons op kunnen komen, bladerend, kijkend en lezend in dit boek.

HET FORMAAT VAN WATERLAND, 2004
Door Gemeente Beek-Ubbergen aangeboden aan Hare Majesteit de Koningin bij haar bezoek aan de gemeente.

Looking, inwards and outwards

The poetry of Victor Vroomkoning

The taker of the photographs in this book and the poet must know each other from way back. For already on the cover of Small Museum (1987) Vroomkoning is standing with arms across looking at the former. This book must be the realisation of a once dreamt of collaboration.
Victor Vroomkoning (1938) made his poetic debut in 1982 in many Dutch and Flemish periodicals and initially made a name for himself in Flanders before he did so in Holland. As a poet, Vroomkoning is a dear, vulnerable, anxious soon, husband and father, who throughout his poetic life has thought about the people who he lives together with. In that respect, he is – as no other poet in our language area – related to the poet Herman de Coninck, unprecedentedly popular in Flanders, who has become one of our much-read poets after his death. The affinity with De Coninck also applies to the humour in many of Vroomkoning’s poems, as apparent in such collections as Echo of an Echo (1990), Old Wound (1993), Polar Bear Existence (1999) and In absentia (2002). That humour keeps the tone quite light and is based mainly on a blend of self-irony and sadness at growing older. As is apparent in, for example, the following:

If you find me old,
too old to do it with you
one more time, take some
photos of me in your
hand and say: right,
that’s what you were, are,
young, sweet, gentle, strong
and then come to me,
shut your eyes and do
it with me just as
you once did
yesterday, the day before,
the day before that

What is so strong and convincing about this poem is the second half, where the poet removes all dangers of sentimentality that are concealed in the first half by referring to the once so blatantly obvious sexuality.
That Vroomkoning writes in order to add an extra dimension to his existence each poem eloquently bears witness to. The charm of looking at old photos in an album is not all that is present. In his imagination he brings them to life and thereby bridges both space and time, reliving – as he approaches his fifties – his mother as she once might have been for him as a lover for whom he was on the look out. In Small Museum there are lines written by him as a newly fledged father:

How I began
to love parents
when totally lost
in a child

Later, the parents become ‘twice older ... my oldest children’. His poem ‘Refuse Sacks’, from Echo of an Echo, is probably his most quoted and anthologised poem, precisely because it adapts so strongly the metaphor of refuse bags – ‘formless, full of cast-off/life, frail and so/assailable’ – to the old couple. Here the poem rises far beyond what initially motivated it. This also applies to many of the poems in Vroomkoning’s In absentia. He, too, he speaks repeatedly of the past. Here, too, he is the one in mourning, but also one who knows that there must at some point be an end to mourning, because he, now orphaned, must needs move on: ‘Onwards, Orpheus, onwards!’

How striking though – alongside the many reminiscences of the love he had for his mother – are the portraits made by the poet of his father, the baker ‘the great tight-lipped man who was my father’, the man who, when he came home a bit tipsy from the choir rehearsal, sang snatches of the Latin mass below the stairs. There is a magnificent sonnet where the poet imagines himself as a foetus in the womb that, shortly before birth, hears his father singing a solo during the mass. It also bears the title ‘Song of Songs’ and is one of the first poems you encounter in the book before you.

The poems in this exceptional book can, on the basis of what has been said until now, easily be recognised as typical poems by Victor Vroomkoning. Not only because a number of them – without the photos- already led their own autonomous lives, but also because the close connection remains present with his dear ones – now dead but called back to life once more. What is more, Vroomkoning has, form the outset, shown himself to be an excellent nature poet, capable of looking as no one else, not only inwards and at himself but also outwards.
The polder landscape, the river, the water-meadows have here taken over from his formerly lovingly and closely described landscapes of the hilly area around Nijmegen, with which the poet – originally from Brabant – has become familiar.

Of the twenty-three poems in this book, a number are the result of having seen the exceptional photos taken by Hans Bol of the ‘waterland’, of the Ooijpolder and the river area on the far side of it. The view of life that constantly radiates from Vroomkoning’s poetry – the never-relenting search for silence – was given ample scope in the subject of these photographs and poems. They correspond to a thought once expressed by Paul de Wispelaere concerning writing and reading, but which apply to all forms of art. One probably switches off life itself, but ‘thereby experiences it in an amalgam of sad clarity, insight and ecstasy as experienced life is never able to offer’. These are emotions that – leafing and gazing – we may well experience when reading this book.

Wam de Moor (translation John Irons)

Een selectie / A selection:

beeld15

Hof

De bomen hingen op hun volst.
Ik had blind staan tellen, riep
dat ik zou komen om te zien.

Door het grasland wadend zag ik
bij de appels licht bewegen, niet
vermoedend dat ik vaders armen

zou ontmoeten die als slangen om
de benen van mijn moeder gleden.
Ik verroerde niet, hield alle adem in.

Garden

The trees were now at their most laden.
I had been counting without looking,
called that I was coming now to find.

Wading through the grassland I detected
a slight motion near the apples,
not suspecting that I would encounter

father's arms that slithered snake-
like round my mother's legs.
I stood stock-still, held and held my breath.

Translation: John Irons

beeld21

Ven

Een middag in april: alles
jong nog, vrienden die je
voor het eerst weer buiten
noden, hij knipperend tegen
het licht, zij in iets
transparants en even later
mijn eeuwige geliefde
die haar kleed aflegt,
het ven indaalt en ik
die blijf zitten, nog
rillend van winter, al
rillend van lente.

Pond

At times less even than nothing,
an April afternoon, everything
still young, friends who invite you
outside again for the
first time, he blinking against
the light, she in something
transparant and a little later
my eternal love
who takes off her dress,
descends into the pool and I
just sitting there, still
shivering with winter, already
shivering with spring.

Translation: John Irons

beeld31

Wei

Wij reden door de polder. Ver weg
hoorde ik geruchten gaan.

Wij kwamen aan een afgezet stuk
land waar jonge dieren weidden.
Moeder hielp me van de fiets
want zwaar van dromen was ik
aan haar lijf gew orden.
Zij opende het hek en liet mij
ruiken aan het gras.

Terwijl ik naar haar omzag
stak zij beide handen in haar jas.

Meadow

We rode through the polder. Far off
were rumours just within range.

We came to a fenced-in piece of land
where young animals were grazing.
Mother helped me off my bike
because I had grown heavy from
dreams against her body.
She opened the gate and let me
smell the grass.

While I was looking round at her
she stuck both hands in her jacket.

Translation: John Irons

beeld41

Missen

Dat je het soms mist
is het laatste wat je haar
zult toevertrouwen.
Het is niet uit te leggen:
een hengst die zijn hals over
de nek van een merrie legt.

Dat je haar soms mist
is het eerste wat je haar
verzwijgen zult: een hengst
doodstil achter schrikdraad,
zijn hals leeg, zijn ogen vol
van die naast hem in de wei stond.

Missen is bewaren
wat je mist.

Missing

That you sometimes miss it
is the last thing you would
confide in her.
It cannot be explained:
a stallion that lays its throat
over the neck of a mare.

Missing is wasting your time
you hear her say.

That you sometimes miss her
is the first thing you would
keep from her: a stallion
stock-still behind electric fencing,
its throat empty, its eyes full
of what stood next to him in the meadow.

Missing is retaining
what you miss

Translation: John Irons

beeld51

Bekken

Je wilde ernaartoe
omdat je het je herinnerde.
Je wilde het herkennen, erin terug.

Hier ligt het dan.
Je tast het af, voelt
hoe vertrouwd het is.

Je wordt weer klein
en alleen
alleen met het water.

Womb

You wanted to go there
because you remembered it.
You wanted to recognise it, back in it.

Here it is then.
You trace it with your fingers,
feel how familiar it is.

Once more you're small
and alone
alone with the water.

Translation: John Irons

beeld61

Vleugels

Borstkas aan klankkast
voeten aan pedalen
armen uitslaand
vleugels over vleugel
raak je bevlogen,
vleugje engel.

Reikt adem verder?
Zet een fluit erop
en je hoort de vogel.

Wings

Spreading out arms, rib-cage
against resonance-box, wing
over wing, your feet
clinging to pedals
you take flight, a flicker of
angel.

Does breath reach further?
Put a whistle on it
and you hear the bird.

Translation: John Irons

beeld71

Zondag

Mijn ouders liggen naast mij
in de wei die pas begraasd
moet zijn zo laag van bloei
is onkruid om ons heen.

Vader zaait een arm naar
moeder uit. Het koren,
zegt hij, zag je onderweg
het koren staan? Nooit
heb ik hem zo zorgeloos
van slag gezien. Zijn hand
die nu geen brood vermenig-
vuldigt, plukt de bloemen
van haar jurk.

Achter ons wiekt een molen
door de wolkeloze dag.

Sunday

My parenst lay beside me
in the meadow that must have
just been grazed: so low the
weeds flowered all around us.

Father sows an arm out
towards mother. The corn,
he says, did you notice
the corn as we came? I've
never seen him there
so unconcerned. His hand
that no more multiplies
the loaves plucks flowers
from her frock.

Still I can hear behind us how
the windmill slapped its sails,
how the wind did the rounds.

Translation: John Irons

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon