Scabreuze verzen

scabreus

Standbeeld

In Bolsward sta ik
naast de kerk, mijn linker-
hand aan mijn lul waarmee
ik zeggen wil: voor een vers
volstaat een pen als een pik
zeker als je Gysbert Japicx* heet.

* In 1603 geboren dichter, stichter van de Friese cultuurtaal

Brievenbussen

Terwijl de postbode zijn zak
leegt in mijn wijk, zich verkneukelt
bij ouderwetse gleuven
waarin hij met zijn lange
vingers eerst de voering
inspecteert vooraleer er
tot de pols toe in te glijden,
doe ik hetzelfde met zijn wijf.

Inhaalproefwerk

Haar bloed en tranen laten zwetend, tast ik
in haar kanten hangdoek naar de kroontjes
van haar appeltjes. Mijn ogen sluipen met
haar benen mee het binnenst van haar tuintje in.

Mijn hete kop deint op het meertje van haar
buikje als zij klaarkomt met mijn werk.
Zij levert in maar wil, zegt ze, mij graag
de dingen tonen die niet op haar schrijfbloc

konden, antwoorden op vragen die mijn vingers
stelden, dacht ze, toen die met mijn potlood
speelden. Onverhoeds laat ze haar borstjes zien.

Er is opmerkelijk verschil, doceer ik, tussen
schijn en wezen. Wat denkt ze wie ik me verbeeldde?
Zij moet de gang op totdat ik het cijfer heb gegeven.

Schikgodin

Niets dan jas wat ik duld,
knopen los, de riem van leer
houdt me in toom, ik ben gewoon
een derde, dame die passeert.

Ik wacht de jongen of de grijsaard
die mijn wraak voedt, of de heer
de bloedeloos zijn hoed licht
voor een groet. Mijn handen flitsen

mijn vulkanen in hun aangezicht,
mijn mond orakel, hel mijn vulva,
ik gist van lens tot laars.

De tram daarna is zoet en mild,
ik aai een mouw, praai elke vrouw,
ik ben de eerste die zich schikt.

(Stella Napels)

De hoedster de vrouw*

Ik ging, te drommel! om háár t’rug te zien
maar zag er vliegensvlug twéé onderlijven
in elkaar gloeiend heet bezig met heien
zonder cesuren. Een minuut of tien
dat ik me na ’t orgasme had hervonden,
mijn hoofd vol van gemeenschap zogezeid -
laat mij daar midden in de eenzaamheid
een stem vernemen dat mijn kloten vonkten.

Het was een vrouw. Het lid dat zij beroerde
kwam langzaam hoger in de lucht te staan.
Zij was een worteltrekster, palenpoetster

en met haar tong stoomde zij mijn fallus klaar en
O, dacht ik, o, ziedaar mijn roedehoedster.
Piet Snot, zong zij, Mijn hand zal u bedaren.

*naar De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff

De kerk in

Mijn hand in gewijd water
gedoopt, ermee tussen
haar dijen gestreken
- heilig bij geilig nat –
mijn lid gerecht, haar
genomen bij het Kruis
en vóór het zingen
er weer uit.

Liefdes uur*

‘Hoe laat is het?‘
fleemt mij de fluisterstem
naast me in waterbed,
ik schommel uit de nacht,
ik schat geen uur of dag;
dan mogen wij een tijd
verliezen, praait ze mij.
Ze legt ons in een vlecht,
twee tongen op de plecht,
het anker manicuurt
ze vast haar bekken in.
Hoe laat het is?
het is weer liefdes uur.

‘Hoe laat is het?‘
peilt zij in ons tweestro-
menland mijn echolood,
ik dommel op het dek,
ik schat geen vloed of eb.
Dan plotseling strekt bloot
en geil haar lijf zich o-
ver mij en voor ik ´t
besef hervindt zij ut
wat in het vroege vuur
-het is nu noen- verging.
Hoe laat het is?
het is weer liefdes uur.

‘Hoe laat is het?‘
luidt ook vanavond weer
haar wenk tot grensverkeer;
zij wil t’rug op de brug,
ik schat niet meer maar zucht
naar rust, o was ik maar
alleen op zee in plaats
van op dit tweepersoons
matras, dan was er hoop
op een ontwenningskuur
voor mijn arm hebbeding.
Hoe laat het is?
het is weer liefdes uur.

(* naar Liefdes Uur van P.C.Boutens)

Treinreis

Ze is zichzelf zo volkomen dat ze mij
vergeet, ze kauwt banaan beet na
beet grazen haar ogen over de weiden
met de verse beesten van het voorjaar.

Haar benen zijn nog wit als haar gebit,
ik zit erbij en kijk ernaar, lief en zacht
stel ik mijn blik, in mijn versleten slip
ontvouwt zich mijn bejaard geslacht.

Mijn vingers willen naar haar tepels
maar ik houd ze met de krant in toom
en sluit mijn ogen om te strelen
in een lentesverre jongensdroom

totdat ‘uw plaatsbewijs alstublieft’
mij terugbrengt bij de man die ik laat zien.

Zadel

Wat zou ik graag
haar zadel zijn,
mijn neus tussen
haar lippen steken,
beide leren wangen
aan hun vlezen dubbel-
gangers prangen.

Maar als zij klom,
zich wiegend boven mij
verhief, bleef ik hard
genoeg om haar daarna
nog lippendienst
te bieden, stierf ik
niet van zadelpijn?

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon