Circuit des Souvenirs

helias

In: Helias achterna. Nijmegen, leve(n) de letteren! Dit boek werd ter gelegenheid van de Nijmegen Boekenweek 1984 uitgegeven.

helias-portret

Cicuit des souvenirs

‘Helpt Uw + helpen!’. De bus rijdt heuvel af onder het lint door, dat in de Dorpsstraat over de weg gespannen is. Jacob Zinneman, die achterin zit, keert zich om naar het rode kruis dat langzaam van hem weg fladdert.

Afgelopen donderdag, toen hij wegens Hemelvaart een dagje op zijn dooie gemak door de stad kon lopen, had hij ineens voor de etalage van een reisbureau gestaan, waarin een driedaagse reis door Zuid-Nederland stond uitgestippeld. De touringcar zou vrijdagmorgen om 8.30 uur vertrekken.
Op goed geluk was hij eergisteren in alle vroegte naar het aangegeven vertrekpunt gegaan, waar hij zich binnen enkele minuten van een plaats verzekerd had. Zo zat hij om half negen in een bus vol bejaar-den. Naast hem bleef de zitting leeg. Des te beter. Het was hem allerminst om gezelschap begonnen, evenmin om de twee eerste dagen van de reis. Hij ging voor de zondag, de rest nam hij voor lief.
De overweg. Waar is het wachthuisje gebleven? Links de straat van Louise. Jacob kijkt de andere kant uit. De bloemist. Nee, het pand staat leeg. Nu naar boven en met een grote lus het dorp uit.
Jacob gaat voorop zijn stoel zitten, drukt zijn gezicht tegen de ruit. Een scherpe draai naar rechts, de Zevenheuvelenweg op. De reisleider brengt de Nijmeegse Vierdaagse ter sprake, die over enkele maanden weer gelopen wordt. Op de derde dag, zegt hij, beleven de wandelaars hier hun Golgotha. In de heuvels sneuvelen ze steeds weer bij bosjes.
Jacob luistert niet. Hij wacht gespannen het moment af, waarop de bus de oprit van het oorlogskerkhof indraait. Als men is uitgestapt, moet men voor de aardigheid eens letten op het schitterende panorama. Van hieruit heeft men een prachtig uitzicht op het voormalige slagveld. De gids zwijgt. Jacob hoest. Tranen springen in zijn ogen.
Hij staat pas op, als iedereen de bus verlaten heeft. Langzaam daalt hij het trapje af, tot zijn voeten het grint raken. Het ligt er nog tot waar het gras begint.

Louise was op blote voeten. Het woei er altijd. De wind trok aan haar jurk. Hij hield haar tegen. Niet te snel, zie hij, de laatste keer wil ik er langer over doen. Als ik voor half twaalf maar thuis ben, zei ze. Bernard maakt het niet laat vanavond.

Voordat Jacob door het hekje gaat, valt hem opnieuw de volkomen symmetrie van de begraafplaats op. Rui tweeduizend compagniesgewijs keurig ingegraven Canadezen in rotten van zestien bij acht. Tussen hen in wat verloren Polen, Engelsen, Belgen en andere niet thuis te brengen vroegtijdig afgezwaaiden. Ze liggen er mooi bij tussen de coniferen, de blik van Duitsland afgewend.
Jacob loopt achter de anderen aan, maar als die samengroepen aan de voet van
de op een altaar lijkende herinneringssteen, gaat hij zijn eigen weg. Hij houdt rechts aan. Met de ogen dicht, denkt hij. Vooruit, met de ogen dicht. Van hieraf zestig passen, dan naar links en dan weer honderd. ‘Hun naam leeft voor altijd’, hoort hij de gids vertalen.

Zij liepen haast plechtig het pad af. Louise had het gebruikelijke boeket bij zich. Witte dopheide deze keer. Die gaat een tijdje mee, had ze gezegd, toen hij haar in het Binnenveld had opgepikt. Voor het laatst samen naar Lieutenant J. Swainson, age 23, van ‘The fort Garry Horse’, gevallen op 31 mei 1945. Anderhalf jaar lang hadden ze bloemen voor hem meegebracht, de stille getuige van hun heimelijke rendez-vous.

‘Till the day break’. Jacob staart naar de spreuk op de witte zerk. Twaalf jaar geleden was hij hier voor het laatst. Hij knielt. Dag John, fluistert hij. Ik ben het, Jacob. Ken je me nog? De wind blaast om zijn oren. Hoe is het met je, ouwe jongen. How are you? En met Louise? Komt ze nog wel eens langs?
Jacob plukt wat aan de hei, waarmee het graf is overdekt. Het gaat toch wel goed met haar? Hij merkt dat er bezoekers staan te kijken. Hij staat snel op. Ik kom zo terug, zegt hij, heb wat geduld. Jacob loopt naar de bank bij de berken. De esdoorns zijn al uitgebloeid.
De haag om het kerkhof is, tot waar hij zit, geknipt. Een man in overall, de rug tegen een grafsteen geleund, zit doodgemoedereerd een boterham te eten. Dat is waar ook. Hij bevindt zich op vreemd grondgebied. Geschonken door het Nederlandse volk tot een eeuwige rustplaats, zoals het bij de ingang staat vermeld. Een vrijplaats voor mensen zoals wij. Hij hoort het zich nog zeggen bij hun eerste bezoek. Het had nogal dubbelzinnig geklonken.
Het gezelschap, dat hij uit het oog verloren had, trekt in processie naar het grote betonnen kruis aan het einde van het middenpad. Het bronzen kruisvaar-derszwaard, dat erin vastgeklonken is, glanst in het zonlicht. Twee Duits sprekende heren wijzen in de richting van hun vaderland. Ganz schön, nicht?
Jacob loopt terug naar de bus waarin de chauffeur een krant zit te lezen. Weinig aan te beleven, vindt U niet? Dat gaat wel, zegt Jacob. Hij haalt zijn schoudertas uit het bagagenet, tilt zijn jas van de haak en stapt uit. Ik blijf nog even, zegt hij. Een oude kennis ontmoet, begrijpt U? Nog even wat herinne-ringen ophalen. U hoeft niet op mij te wachten. Ik vind het wel. Groet de anderen van me.
Hij trekt de jas aan, hangt de tas om en loopt het parkeerterrein af. Als hij de weg bereikt, haalt hij een alpinopet te voorschijn en trekt die tot aan de oren over zijn hoofd. De chauffeur, die hem al die tijd met verbaasde blik heeft gevolgd, schudt het hoofd, haalt de schouders op en slaat een blad om. Zinneman begint te dalen.

Hij droeg Louise. De omgekeerde wereld, zei ze. Dat doe je als je trouwt, niet als je elkaar verlaat. Ze huilde tegen zijn regenjas. Bij de auto stonden haar schoenen. Dat is het dan, zei hij. Dat moet het dan maar zijn. Hij deed de lichten aan, zodat ze in het donker nog even naar de graven konden kijken. Daarna reed hij kalm weg, heuvel af, de bocht door, heuvel op, het dorp in. Hij reed niet harder dan de wielrenners die daar overdag kwamen trainen.

Terwijl hij over de licht stijgende weg naar het dorp toeloopt, komt er steeds meer nieuwbouw in zicht. Het benzinestation op de hoek, waar hij vroeger - toen hij nog auto reed – wekelijks zijn tank liet vullen, is overgegaan op zelfbediening.
De weg daalt weer. Halverwege de helling zet Jacob een zonnebril op. Hij nadert de kom van het dorp, slaat rechtsaf de Ottenhofstraat in. In de draai steekt hij over. Hij werpt een schuwe blik naar haar huis. Het is doodstil. Hoog boven hem cirkelen zweef-vliegtuigen. Hij kijkt er niet van op. Hij is de hoek al om, nadert de bosrand. Even later stapt Jacob binnen bij hotel ‘De Wolfsberg’. Pet en bril gaan af.
Als dat meneer Zinneman niet is? Hij krijgt een hand. Een tijd geleden. Jaja, zeg dat wel. Terug van weggeweest? Ik kom eens kijken, zegt Jacob. Tante woont als lang niet meer hier. Is er een kamer vrij? Hij is snel ingekwartierd.
Later in de middag verkent hij de directe omgeving. Bij de molen op de heuvel is er het begin van een braderie.

Tijdens hun eerste uitstapje kwamen ze op een kermis terecht. In de zweefmolen haalde zij hem dan weer aan, dan weer duwde zij hem van zich af. Ze walsten in de danstent, tot haar lang haar als een suikerspin om haar hoofd gewonden zat. Daar schoot hij ook hun eerste en laatste foto. Haar hoofd leek in zijn oksel vastgeklemd, haar linkerslaap tegen de kolf aangedrukt. Met grote, verschrikte ogen keek ze midden in de roos. Ze kochten een enorme ijswafel en smolten, met lange halen naar elkaar toelikkend, de weg vrij voor hun eerste kus. Onderweg naar huis zette hij zijn auto wel drie keer aan de kant om de laatste restjes ijs te ontdooien.

Hier en daar meent Jacob een vertrouwd gezicht te zien, maar godzijdank geeft men geen teken van herkenning. Hij loopt vanaf het hooggelegen kruispunt de weg af, richting Breedeweg. Morgen een fiets huren. Als hij links afslaat om de velden in te gaan, staat hij voor een woonerf. Klinkerpaden, verkeersdrempels, uniform aangelegde tuintjes. Niemand te zien. Geen kip, geen hond op het erf. Geen spoor van de oude wilgen, van de paarden die de dekking om hen heen weg graasden, wanneer ze tussen de klaprozen op verhaal lagen te komen.

Het onweerde. Ze waren kletsnat geworden. In een bouwval trokken ze hun kleren uit en likten ze elkaar de regen van het lijf. Het was hun eerste keer. Ze zeiden op den duur niet veel meer, tenslotte helemaal niets meer. Zwijgend bleven ze nog een hele tijd tegen elkaar aan geschraagd naar de hemel zitten kijken, moesten ze bijkomen van wat er uit de lucht was komen vallen.

Jacob keert met een wijde boog naar het dorp terug. Er zitten enkele toeristen op het terras van het café aan de overweg, op een steenworp afstand van Louise. Waarom ook niet, denkt hij. Hij neemt een rieten stoel, schuift zijn pet tot aan de rand van de bril en bestelt een martini. Zijn oog valt op het pleintje tegenover hem. Elke dinsdagochtend is er markt, weet men hem te vertellen.
Hij neemt er nog een paar, eet een uitsmijter en stapt op. Hoewel het nog niet helemaal donker is, waagt Jacob zich dieper in haar straat. Hij loopt aan de overkant haar huis voorbij. Achter de gordijnen van de erker brandt licht. Boven is alles donker. Hij steekt schuin over en maakt een omtrekkende beweging naar de protestantse kerk. Hij loopt voor de kerk langs, stapt over het lage muurtje en verbergt zich achter een steunbeer aan de kant die uitzicht biedt op de achterzijde van het huis. Over een paar weken zullen de populieren de bovenramen hebben dichtgegroeid.

Hier stond hij op wacht als Bernard thuis bleef of als er visite was. Bij slecht weer kon hij altijd schuilen onder de wilg waarvan de takken tot in haar tuin hingen. Soms werd hij beloond met een kortstondig treffen op het kerkhofje achter de kerk. Door het gat in de heg ontglipte ze dan voor even aan de aandacht van de anderen. Zo kwam ze trouwens altijd naar hem toe, als ze ’s avonds de kinderen alleen liet. De ideale vluchtweg had zij het genoemd.
In al die tijd was hij maar één keer bij haar binnen geweest. Bernard was met de kinderen een weekend naar zijn ouders. Op Jacobs dringende verzoek had Louise migraine voorgewend en was zij thuisgebleven.
Toen als het licht verdwenen was, sloop hij door het gat naar haar toe. Het huis was donker, de deur stond op een kier. Twee nachten sliep hij niet bij tante aan de Biesseltsebaan. Toen sprak hij met Louise voor het eerst over scheiden. Zij wilde er niets van weten. Zij had twee kinderen, wat had hij?

Jacob maakt zich los van zijn achtergrond en stapt voorzichtig naar de heg. Het gat is dichtgegroeid. Hij probeert het aan de zijkant. Tussen coniferen door zoekt hij zijn weg, de moestuin in. Hij bukt zich. Nog altijd aardbeien. Waar is het paadje? Hij staat opnieuw voor grote coniferen.
Dan floept het buitenlichtje aan, een sleutel draait en Bernard daalt het trapje af, althans hij zou het kunnen zijn. Jacob houdt zich als een vogelverschrikker. Bernard passeert hem rakelings, als hij langs de zijkant van het huis verdwijnt. Zou hij nog steeds ’s avonds op de universiteit werken?

Jacob wacht tot het stil is op het grint, dat links en rechts rondom het huis is uitgelegd. Hij durft niet verder. Men zou hem horen. Hoe groot zouden haar kinderen wel niet zijn? Hij manoeuvreert de tuin uit, klopt in het licht van een lantaarn het zand van zijn schoenen en keert terug naar zijn hotel. Ze wonen er, ze woont er. Ze woont er nog.

Jacob gaat niet meteen naar bed. In een stoel op het gazon achter het hotel kijkt hij uit op de lichten van het dorp. Tante heeft hem eens gewezen op de strategische positie van de Wolfsberg tijdens de laatste oorlog. Beide kampen, Duitsers en Amerikanen, hadden hier na elkaar hun hoofdkwartier. Daar rechts onder hem zal Louise nu wel slapen. Hij gaat dat ook eens doen.

II

Na een stevig ontbijt zit Jacob de volgende ochtend om negen uur op een fiets met vijf versnellingen. Die zal hij hier nodig hebben. Zijn school gebeld. Dat hij om zeer persoonlijke redenen zijn vaknatie met twee dagen heeft verlengd. Woensdag zal hij zeker terug zijn, de hand op zijn hart.
Hij rijdt in de richting van de Biesseltsebaan, zet aan voor de eerste korte klim.

Op die middag kwam hij van de andere kant. Tweemaal per week trainde hij hier op het parcours, dat hem langs het oude oorlogsfront voerde. Dan zie je het eens met eigen ogen, had tante gezegd. Het komt je later misschien te pas. Zelf was ze getuige geweest van de grootscheepse landing van parachutisten en zweefvliegtuigen. Op 17 september ’44, de dag van haar bevrijding. Ze waren bij wijze van spreken in haar tuin geland, zei ze. Het waren er zoveel geweest, dat het daar al gauw Klein Amerika werd genoemd.
Hij fietste om toch iets aan zijn conditie te doen. Drie keer per week reed hij met de auto op en neer naar Velp, waar hij een aantal onbevoegde geschiedenis-lessen gaf en – omdat hij die toch had – reed hij er ook maar mee naar de laatste colleges in Nijmegen.

Hij kwam het lange hellende stuk afgesuisd, zwenkte naar links, de Knapheideweg op, en vloog naar beneden toen er ineens een wagen van rechts kwam. Hij kon nog uitwijken, stoof het erf van een boerderij op, dook van zijn fiets en maakte een vrije val in een hoop hooi. Goed en wel opgekrabbeld, stond hij oog in oog met een vrouw die zenuwachtig vroeg, wat hem mankeerde. Ik had je niet gezien, zei ze. Je kwam zo snel omlaag. Zij bracht hem thuis, de verwrongen fiets tussen twee kinderen achterin.
Een week daarna stond Louise hem vlakbij de Biesseltsebaan op te wachten. Ze had weinig tijd. De kinderen kwamen zo van school. Hoe het met hem ging. De hand aan het geopend portierraam fietste hij met haar mee, de verkeerde kant uit.

Jacob rijdt de hele dag door, doet de plaatsen aan waar zij zich verschansten, dag in, dag uit. Hij had een gunstig rooster, zij haar kinderen op school of bij vriendjes en vriendinnetjes.
s’Avonds werkte Bernard aan zijn proefschrift in zijn kamer op de universiteit. Daar had hij de zaken beter op een rijtje, werd hij ook niet gestoord, had Louise gezegd. Sinds zij Jacob kende, maakte ze daar geen bezwaar meer tegen. De kinderen sliepen doorgaans vast, dus kon ze met een gerust hart met Jacob mee.

Ze bleven waakzaam, spraken af op stille plaatsen, schreven geen letter aan elkaar. Als ze er overdag op uittrokken, meden ze het dorp en hielden ze zich voornamelijk schuil in de Staatsbossen en de velden rondom. Of ze verborgen zich in uithoeken, zoals de kerkhoven in de omgeving. Op heldere dagen bivakkeerden ze aan de rand van het nabij gelegen zweef-vliegveld, gluurden door de struiken naar de af- en aanvliegende toestellen. Soms zagen ze elkaar in dorpjes waar niemand hen kon kennen, of verborgen zich vlakbij de grens. Als tante er niet was, doken ze onder op zijn kamers. Bij koud en regenachtig weer kwamen ze de auto niet uit. Behalve voor John. Die kreeg bij nacht en ontij nog zijn bloemen.
Ontmoetten ze elkaar wel eens in het dorp, dan werd er vormelijk gegroet. Gemeenschappe- lijke contacten hadden ze niet, wilden ze hoe dan ook vermijden. De naasten werden doodgezwegen. Bernard en de kinderen bleven Jacob even vreemd als de doden op het Canadese kerkhof van wie men alleen de naam had kunnen bergen. Louise kende tante alleen van de foto’s op het dressoir aan de Biesseltsebaan.
Er was er welgeteld één met wie ze verkeerden en die kon in het ongunstigste geval alleen maar luisteren, hoog en droog onder de zoden. En dan nog. Wat zou een Canadees tenslotte van hun taal verstaan? Ze verstonden soms elkaar niet eens.

Zoals op zijn verjaardag. Aan de rand van de Mookerhei haalde Louise een doosje te voorschijn. Voor om je hals, zei ze. Aan het snoer hing het teken van de Boogschutter. In de rugzijde stond: 18.12.70. L.T. Waarom in godsnaam nog die T? Altijd nog de vrouw van Bernard? Hij vloog tegen haar uit. Haar kinderen heetten ook zo, schreeuwde ze. De auto werd te klein. Ondanks de kou joegen ze elkaar de bevroren vlakte op.
Wat zocht hij eigenlijk nog bij haar? Zij had bijna zijn moeder kunnen zijn. Ze raasden over de hei. Hij was een blinde idealist, een dromer, een vluchter, een zwever. Zij was verankerd in de grond, was nooit echt bevlogen, kon hem bij lange na niet volgen. Zij was de romp. Hij de vleugels. Ze walmden.
Toen al het gif eruit was, likten ze de wonden. Goed, zei ze, als je toch iets blijvends van me wilt, laten we dan trouwen. Zonder ringen, zonder wat of wie dan ook. Verlang niet meer van me.

6 Maart 1971, 10.00 uur. Op Jacobs verlangen had de pastoor hen op die zaterdag alleen gelaten. Hij begreep de bijzondere omstandigheden. Daar kwamen de mensen immers voor naar hier. Gewone diensten waren er nauwelijks. Zijn tempel was er voor speciale noden. Zoals hij Zinneman al gezegd had: er waren boxen in de kerk, aangesloten op de geluids-installatie in de sacristie. Men ging met zijn tijd mee. Hij zag het al, ze hadden muziek meegebracht. Louise had daags van tevoren psal-men en composities van Vaughan Williams op de band gezet. Of ze het apparaat zelf konden bedie-nen? Wat hem betrof, konden ze hun gang gaan.
Door het middenschip op weg naar het witmarme-ren altaar, met Louise aan zijn arm, duizelde het hem van al het blauw en groen en goud dat op hem neer-daalde. Vreemd licht werd door de stervormige ra-men in de rand van de koepel geworpen. Elk ogen-blik konden ze naar het heelal worden opgenomen.

‘I wil lift up mine eyes’. Terwijl het doodstil om hem heen is, staat Jacob achterin de lege kerk weer naar de psalmen te luisteren. Maar hij gaat niet over de loper naar voren. ‘O how amiable’zingt het in zijn hoofd. Hij blijft waar hij is en neuriet mee. Hoe vaak heeft hij ze thuis nog gedraaid, de eerste jaren?
Hij hurkt in een bank en kijkt omhoog naar de grote vogel die in een hemel van vurige tongen door de koepel zweeft. Van daar tot aan de plavuizen, van orgel tot altaar, staat het hele interieur in het licht van Pinksteren. Het valt Jacob nu pas op.

Later, veel later, nadat ze – god weet hoelang – tegen elkaar aan voor het altaar geknield hadden, toen ‘The Lark Ascending’weggestorven was, had Louise zich van hem losgemaakt en wat kaarsen aangestoken. Daar rechts, waar het rood en goud helderder oplichten dan in de rest van de kerk.
Jacob was achter haar gaan staan. Omdat ze bloots-voets was, kon hij over haar heen naar de vlammen kijken. Op zulke momenten had ze graag vaste grond onder haar voeten. Achter het vuur: de in mozaïek opgebaarde Maria. De engelen om haar heen in zwij-gende extase, met grote ogen voor zich uit starend.
Jacob staat weer buiten. Hij is moe. De zon daalt. Hij moet nog omhoog, de lange helling op. Hij verlangt naar het warm rantsoen. Binnen het half uur is hij bij de Wolfsberg. Asperges met ham en ei, aardbeien na. Hij eet voor twee.

Na de maaltijd zoekt hij de leestafel op. Tussen de landelijke bladen vindt hij het plaatselijk weekblad. Nieuws in de marge. Een gouden bruiloft, een regionale wandeltocht, een onlangs geridderd oud-aalmoezenier. Het zal wel nooit veranderen. Op het laatste blad de: Kerkberichten.
Hij slaat de krant dicht en onmiddellijk weer open. Hij leest en leest en leest nog eens. Met trillende vingers houdt hij zich aan de krant vast. ‘Dinsdag, 17 mei, 9.00 uur. Herdenkingsmis voor Louise Talma (namens echt. en kind.)’.
Zinneman zakt weg, valt met krant en al tussen de gasten en blijft half onder tafel liggen. Men schiet te hulp, legt zijn hoofd op een stapel tijdschriften, haalt water, tikt hem op de wangen. Hij slaat de ogen op. Wat is er gebeurd? vraagt Jacob. U viel van Uw stoel. Jaja , zegt hij, dat was het. Ik viel van mijn stoel. Of hij dat wel vaker heeft. Niet dat hij weet. Het gaat wel weer. Dank U wel voor de moeite. Men helpt hem op de been. Het is toch wat, zo’n flinke man. Jacob hoort het niet. Hij neemt de trap naar de koelte van zijn kamer.

Hij ligt nog aangekleed op bed, wanneer er wordt geklopt. De waard informeert voor het slapen gaan naar zijn toestand. De gezondheid van zijn gasten gaat hem ter harte. Jacob laat hem nauwelijks uitspreken.
Hebt U een zekere mevrouw Talma gekend, Louise Talma uit de Ottenhoffstraat? Het komt er hortend en stotend uit. De vrouw van de natuurkundige? vraagt de waard. Zeker heeft hij die gekend. Wanneer ze gestorven is? Hoelang is het ook weer geleden. Zes, zeven jaar misschien? Nee, geen gewoon sterfgeval. Het was begin maart, er werd nog niet gevlogen. Iedereen was er van ondersteboven. Zo’n aardige vrouw. Een jaar of veertig zal ze zijn geweest. Morgen zou ze vijftig geworden zijn, zegt Jacob. De waard monstert hem. U kende haar goed? De laatste jaren niet meer, zegt Jacob.
Kort en goed, vervolgt de waard, ze is met haar auto verongelukt, uit de bocht gevlogen. Ze moet meteen dood zijn geweest. De flauwe bocht voorbij het zweefvliegveld, vlakbij de begraafplaats daar. Het leek wel, alsof ze zo het graf in had willen rijden. U kent het daar wel. U hebt daar toch vlakbij gewoond, niet? Onbegrijpelijk. Wat ze daar deed, wist nie-mand, ook haar man niet. Het was op een zaterdag. Het moet rond tienen gebeurd zijn. De ambulance reed om half elf hier langs. Het personeel zat aan de koffie, daarom heeft hij het onthouden. Ze ligt begra-ven op de Heselenberg aan de andere kant van de spoorlijn. Hier rechttegenover, weet U wel? Jaja , zegt Jacob, ik ken de begraafplaatsen hier. Zo weet ik wel genoeg. Hij bedankt de waard. Het duurt nog een hele tijd, voordat het helemaal stil is in het hotel.

De nacht duurt Jacob te lang. Om een uur of vier trekt hij zijn schoenen aan, raapt hij zijn zaken bij elkaar en schrijft hij in alle haast een briefje aan de waard. Hij hangt zijn sleutel aan de haak en verlaat het hotel door de zijingang. In het aardedonker dwaalt hij het bos in. Zijn schoudertas blijft hier en daar steken. Het lijkt een dropping.
Eenmaal ver genoeg van het hotel, durft hij vrijuit te hoesten en veegt hij zijn neus af aan zijn pet, die hij opzet wanneer hij de grote beukenlaan aan de rand van het bos bereikt.
Hij loopt een stuk langs de spoorlijn, in de richting van Duitsland, steekt halverwege het dorp de rails over en begint voorbij het Binnenveld aan de beklimming van de Zevenheuvelenweg.

De ochtend na hun laatste tocht naar Swainson was hij naar Groningen afgereisd. Zijn spullen waren daar al. Zo hadden ze het tenslotte gewild. Het moest even plotseling eindigen als het begonnen was. Dan maar beter ver weg. Als zij het niet alleen zou kunnen bolwerken, zou ze het hem laten weten.

Jacob is er. Rechts af, dan links. Het vierde rot, voorbij de esdoorn, het eerste graf. Hij hijgt. Hij heeft al die tijd meer gerend dan gelopen. Heuvel op, heuvel af, heuvel op.
John, John, hier ben ik weer. Sorry dat ik zo vroeg ben, maar ik kon niet langer wachten. Wil je alsjeblieft naar me luisteren? Jij weet het van haar natuurlijk al lang. Maar, godverdomme, waarom weet ik het nu pas? Ze had het me toch op de een of andere manier kunnen laten weten. Jacob begint te huilen.
Jullie zijn allebei voor niets en niemendal gestorven. Jij, toen de oorlog hier al voorbij was en zij, toen er ook niets meer te vechten viel. Waarom heb je haar niet tegengehouden? Jij weet toch wat het is, doodgaan, sterven, er voorgoed niet meer zijn? Jacob jankt. Hoe vaak is ze nog bij je geweest? Zeg toch wat! Ach, jij ook. Je zei eigenlijk nooit wat. Waarom hebben we jou destijds in godsnaam in vertrouwen genomen, een doodgewone cavalerist? Alleen omdat je vlak bij ons bankje lag, met je gezicht naar ons toe. Omdat je alles kon horen, dachten wij. Stom toeval. Of niet soms? De wind voert zijn schreeuwen mee het dal in. Of niet soms?
Zinneman wankelt, gaat door de knieën, valt voorover en blijft liggen in de hei. Zijn tas als een ransel over hem heen. Zijn pet, wat verder weg, tegen de zerk aan.

III

De zon werpt de schaduw van het grote kruis tot waar Jacob langzaam bijkomt. Hij verrijst, klopt de hei van zich af.
Vergeef me, John, vergeef het me maar. Ik was zo verschrikkelijk alleen al die tijd. Zij had jou altijd nog. Jacob stopt twee grote handen zand in de zakken van zijn regenjas. Ik neem wat voor haar mee, begrijp je? Ze wordt vijftig vandaag, dat weet je toch? Ik neem wat aarde en hei bij je weg, van je mee. Jacob scheurt de pollen van elkaar. Heeft ze zelf geplant, weet je nog? Jij houdt nog genoeg over. Het groeit zo weer aan.
Jacob staat op om te vertrekken. Ik zal haar de groeten doen, the best wishes. Hij talmt nog, alsof hij zich een houding wil geven. Nou, tot ziens dan, John. See you again, old fellow. Hou je taai. Jacob wijst. Mijn pet mag je houden. Hij lacht nog wat en verdwijnt.
De straten van het dorp zijn nog uitgestorven. Op het pleintje wordt de markt ingericht. In een hoek stalt men bloemen uit. Hij koopt twaalf ruikers, zijn armen vol. Zeker iets te vieren? Jaja, zegt Jacob, ik heb heel wat in te halen vandaag. Voor elk jaar een boeket. Hij maakt zich op voor de laatste etappe. De klim naar waar zij ligt.

Op zijn laatste benen arriveert hij daar, met bloemen overladen. Een vierdaagseloper aan het einde van het parcours. Hij vindt haar niet direct. In zijn haast laat hij een lint van bloemen achter. Bijna struikelend bereikt hij het witte marmer van haar steen. ‘Hier rust Louise Talma-Dumont, * 17-5-1933 † 6-3-1976’. Doodeenvoudig. Zes maart, zegt Jacob.

Wanneer Bernard Talma de begraafplaats betreedt,
is haar graf door bloemen aan het oog onttrokken. Het zand eromheen lijkt aangeharkt, alsof zij vanmorgen nog ter aarde is besteld. Talma pakt het halssnoer dat om de zerk gehangen is, herkent de initialen. Hij kijkt over het kerkhof, volgt het bloemenspoor. Maar de drager is onvindbaar.

Die zit in een bus van de Zuid-Ooster die van de grens het land in rijdt. Half slapend, half wakend, sukkelt Jacob Zinnenman de heuvels uit. ‘Their name liveth for evermore’ schokt het door hem heen. Als een uitgediende frontsoldaat op weg naar huis. For evermore, for evermore.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon