Van Vis tot Veldslag

Bij de presentatie van 'Van Vis tot Veldslag' portret Robert Terwindt, een film van Els Dinnissen, 28 juni 2009 CBK Nijmegen

De hervonden tijd van Robert Terwindt

Dames en heren,

Wat moet je zeggen over een film die voor zichzelf spreekt? En toch is dat de bedoeling van dit Woord Vooraf, terwijl ik ook nog eens het adagium huldig, dat kunst voor zichzelf moet spreken, zowel die van schilder Robert Terwindt als die van cineaste Els Dinnissen.
Laat ik daarom maar iets zeggen over wat u niet of maar half of terloops te zien of te horen krijgt en volgens mij voor de context van de film de moeite van het weten waard is.

Die film begint en eindigt met een blik op zee, met de blik van Terwindt op zee, begeleid door een citaat uit A la recherche du temps perdu, Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust, de uit zeven delen bestaande roman van misschien wel Frankrijks grootste schrijver, naar wiens boek in de hele film expliciet of impliciet verwezen wordt.
Terwindt leest – als je goed kijkt, kun je dat zien - hier en daar uit het tweede deel: A l’Ombre des jeunes filles en fleurs , In de schaduw van de bloeiende meisjes. Hij voegt daar soms ook wel iets aan toe, maar weidt daar nauwelijks over uit, dat zou nog meer ruimte in de film genomen hebben. Ik neem nu de gelegenheid te baat, een aanvulling te geven op wat in de film over Proust wordt gezegd, ook al omdat hij volgens de uitnodiging voor deze bijeenkomst ‘de rode draad’ van de film vormt.

Tijdens een zomervakantieverblijf in Balbec, waarvoor Cabourg - badplaats in Normandië - model stond, maakt Marcel, het vertellend alter ego van Proust, kennis met de bekende kunstschilder Elstir, fictief personage, een man die een blijvende invloed op zijn wijze van zien krijgt.
Op het moment dat Marcel voor het eerst het koele en schemerige atelier van Elstir betreedt, legt de schilder de laatste hand aan een ondergaande zon. Het atelier herbergt vrijwel allemaal in Balbec gemaakte zeegezichten. Maar Marcel ziet wel, dat het bijzondere ervan bestaat in een soort metamorfose van wat Elstir heeft afgebeeld, analoog aan wat in de dichtkunst een metafoor wordt genoemd en dat - ik citeer - als God de Vader de dingen bij naam heeft geschapen, Elstir ze hérschapen heeft door ze die naam te ontnemen of ze een andere naam te geven. Dus tijdens een metaforisch proces ontleedt hij zijn zintuiglijke indrukken om die vervolgens te reconstrueren tot een eigen wereld, in die zin, dat de elementen die met elkaar vergeleken worden in elkaar vervloeien. De figuur op het doek is meer dan hijzelf is. Door de metafoor wordt de waarheid, wordt de werkelijkheid onthuld, in het licht gesteld.
Marcel leert van Elstir dat in de meest vluchtige gegevens van de eigentijdse werkelijkheid het meest poëtische ligt waarnaar de kunstenaar zich moet richten. Deze moet uit de feitelijkheden van het leven, uit het theater, de mode, het strandleven, een diepere essentie opdiepen om daarna via het werk in het atelier die diepere waarde door het gebruik van de metafoor door te laten klinken.

De kunstenaar ontdekt geleidelijk de formule van zijn onbewuste gave, weet welke landschappen hem zijn materie leveren, onbelangrijk op zichzelf maar noodzakelijk voor zijn speurderswerk. Het atelier van Elstir komt Marcel dan ook voor als ‘le laboratoire d’une sorte de nouvelle création du monde’, het laboratorium van een nieuw soort wereldschepping. Niet minder dan een chemicus of natuurkundige zoekt de schilder in zijn laboratorium naar wetten, wetmatigheden die hij ontdekt en aanvaardt.
De naam waarmee de dingen worden aangeduid correspondeert altijd met een verstandelijke notie, die vreemd is aan je werkelijke indrukken, en die je dwingt om alles wat daarin niet met die notie strookt uit te schakelen. Elstirs streven om zich ten overstaan van de werkelijkheid te ontdoen van al zijn verstandelijke noties dwingt bij Marcel des te meer bewondering af omdat deze man, die voor hij aan een schilderij begint zichzelf tot onnozele verklaart en eerlijkheids-halve (want wat je weet is niet van jezelf) alles vergeet, juist over een uitzonderlijk geculti- veerd verstand beschikt.

Het enige ware leven, het enige dat zich in de tijd afspeelt maar daar tevens boven uit getild is, wordt in en door de kunst geboden. In de diepte van zijn eigen persoon, in zijn eigen oorsprong, zal de kunstenaar het werk vinden dat er altijd geweest is, er op hem ligt te wachten. Het kunstwerk bestaat al vóór hem, préexistant à nous, maar het ligt verborgen. Wat de kunstenaar te doen heeft, is dat aan het licht te brengen, het te ont-dekken. Hij moet er niet naar streven, dat wat gewoonlijk onder werkelijkheid wordt verstaan weer te geven en te beschrijven, maar moet zich wenden tot de enige ware werkelijkheid, de innerlijke en de diepste.

De ware paradijzen, zegt Marcel, liggen in een soort vergetelheid; ze zijn verloren gegaan maar worden in de kunst herontdekt. Daarom begint elke kunstenaar altijd weer opnieuw tot het oproepen van dat vergeten paradijs. Hij moet daarvoor afdalen in zichzelf, noem het de droom, noem het het onderbewustzijn, waar hij het werk vindt dat er gereed ligt.
De dichter Rutger Kopland zegt het zo, als hij de David van Michelangelo voor ogen heeft.

David

Beelden werden niet gemaakt, ze moesten ‘worden
bevrijd uit het marmer’, alsof ze er al waren,
altijd al,

(ergens, in een windstille juni, op een wit,
onbewoond eiland in een blauw-groene zee)

en inderdaad, hij vond een prachtige steen,
onder zijn huid een perfecte machine
van hersenen, spieren en hart

In Op zoek naar de verloren tijd wordt de lezer weliswaar getroffen door de uitzonderlijk grote gevoeligheid van elke gewaarwording door middel van de bijzonder verfijnde registratie van veranderingen die zich voordoen in de menselijke geest en in de buitenwereld, maar daar is het Proust niet om te doen. Wat hem voor ogen staat is een zoeken naar de algemene zin van het menselijk leven, welke grote wetmatigheden daarin heersen. Anekdotes worden naar een hoger, universeler niveau getild waardoor ze algemene geldigheid krijgen.
Proust is op zoek naar de waarheid. Die waarheid ligt niet in de buitenwereld - want de echte werkelijkheid ontluistert - maar in het bewustzijnsbeeld dat we van de werkelijkheid maken, in de herbeleving van een hervonden herinnering, een gelukgevende extatische ervaring van tijdloosheid, die zeer kort duurt, waarin je eeuwigheid beleeft. De tijd die je verloren hebt, de verloren tijd, wordt je op een kort moment terug gegeven.

Heeft dit alles met de film te maken?, kunt u zich afvragen. Voor mij wel, en ik hoop dat u me bijvalt, als u de film hebt gezien. Trouwens: het kan niet anders of de citaten en verwijzingen van en naar Proust doen een bedoeling vermoeden, van Terwindt, maar vooral van Dinnissen.

Proust schrijft, dat tussen een man en de kunstenaar die hij is een afgrond gaapt; de echte ik spreekt uit het kunstwerk, zegt hij, niet uit de man die je ontmoet in de samenleving. De kunstenaar leer je niet kennen uit zijn gedragingen in de werkelijkheid maar uit zijn oeuvre. De mens in het sociale leven is een ander dan de auteur van een boek, de schilder van een doek. Zijn werk is zijn leven, in zijn werk manifesteert zich dat leven. Sterker nog: zonder dat werk is hij bij wijze van spreken dood. Niet anders zegt Terwindt: ‘Schilderen is mijn leven. Ik zou niet zonder kunnen. Alles zou zijn betekenis verliezen’.
Buiten het kunstwerk bestaat de kúnstenaar niet, wel de man die wij de hand drukken, gedag zeggen etc. Maatschappelijke betrekkingen, vriendschap, liefde hebben uiteraard betekenis voor de mens achter de kunstenaar, de kunstenaar zal er ook thematisch uit putten, maar voor hem is het wérk datgene waarin hij zich manifesteert. Dinnissen beaamt dat, want in haar film laat zij Terwindts persoonlijke leven nauwelijks toe. Tekenend hiervoor is het moment waarop Terwindt dreigt af te dwalen naar persoonlijke kommer. Daarvoor moet ik eerste een aanloopje nemen.

Nadat Dinnissen ons Terwindts grote interesse in foto’s van de Eerste Wereldoorlog heeft getoond, stappen wij met hem de auto in naar galerie Stills alhier, op weg ‘naar de ridders’ zoals Terwindt de grote reeks verbeelde riddergevechten noemt die hij daar heeft hangen. Daarmee legt Dinnissen voor de kijker het verband tussen enerzijds Terwindts voorliefde voor Wereldoorlog I en anderzijds de serie Wargames onder welke titel de verschillende facetten van de ridderstrijd zijn verbeeld. Maar er is volgens mij meer:
Robert de Saint-Loup, een van de romanfiguren uit Op zoek naar de verloren tijd, vriend van Marcel, geeft op een bepaald ogenblik een soort college over krijgskunde. Daaruit blijkt dat verschillende veldslagen in hun opzet en ontwikkeling grote overeenkomst vertonen. Er zijn kennelijk wetmatigheden waaraan zich veldslagen moeten houden. Alle veldslagen hebben dezelfde structuur. Het individuele moment van een bepaalde veldslag is een variant van een algemeen schema dat overal altijd bestaat en zich elke keer opnieuw doet gelden.
Het lijkt me legitiem te veronderstellen, dat Terwindt in zijn riddergevechten hét ridder- gevecht, dé oorlog in zijn algemeenheid heeft willen raken, in ruimere zin staat het riddergevecht als metafoor voor onvrede, agressie. ‘Het zit in de lucht’, zegt hij in de film. Maar er hangt mijns inziens nog meer in de lucht:

De galeriehoudster van Stills zegt verheugd:’Hij is helemaal terug’!, waarmee zij doelt op een terugkeer uit de tijdspanne dat Terwindt wegens ziekte volgens haar minder kwaliteit zou hebben geleverd. Met de ridders-expositie zou hij weer terug zijn op zijn oude, hoge niveau.

Even later - en nu heeft mijn aanloopje me gebracht op het punt waar het mij om begonnen is - zien wij Terwindt in zijn atelier bezig aan Wargames XIII, Veldslag geheten, het grote expressieve slotakkoord van de reeks. En dan, terwijl zijn penseel over het doek strijkt, ontglipt hem het volgende: ‘Het heeft natuurlijk een enorme impact, kanker, dat is iets wat zeker is; ja, ik zal de laatste zijn om te zeggen dat ’t me niks deed, dat is natuurlijk flauwe kul, maar wat dat precies betekent, ik heb geen idee’. Om - met de situatie een beetje verlegen - eraan toe te voegen: ‘trouwens, ik geloof dat het ook niet het thema van de film is, om ’n praatje te houden over hoe ik in mekaar zit, dat doen we niet, Els!’ Laat ík dan maar zeggen, wat hij misschien bedoelde: door Veldslag en al die andere riddergevechten te schilderen wist hij misschien de veldslag in zijn lijf te bezweren, veldslag als metafoor voor de veldslag in zijn lijf, de veruiterlijking van wat er in zijn binnenste aan de gang was, waar hij tegen streed. ‘Hij is helemaal terug’ vat ik dus létterlijk op; het gaat niet om de kwaliteit van zijn wérk maar om de kwaliteit van zijn léven.

Proust is in zijn werk altijd op zoek geweest naar dát te schrijven wat hem als schrijver nooit gelukt is. Op zoek naar het werk dat hij niet kan schrijven. Ik citeer Terwindt: ‘ Ik leer het nooit, zeg ik altijd, je leert ‘t ook nooit en als je eindelijk iets door hebt, ligt’t volgende probleem er al weer, dat gaat tot aan je dood door; je leert ’t nooit, gelukkig niet, anders was je uitgeschilderd. ‘t Droevige, ’t pijnlijke daaraan, tegelijkertijd ‘t aardige en ’t hoopgevende: er komt nooit een einde aan.’
Zowel Proust als Terwindt beschrijft de werkelijkheid niet zoals die is maar zoals zij de werkelijkheid ontvangen; kunst is een kwestie van verbeelding, van verbeelde werkelijkheid. Kunst is wat zij zien, wat in hun hoofd ligt opgeslagen. ‘Als ik Proust lees’, zegt Terwindt,
‘ blijven er altijd heel veel beelden hangen, over de zee, de mode, de stad’. Bezie zijn werk om te constateren dat dat geen loze bewering is.
Via het personage Elstir leert Terwindt kijken, zou je kunnen zeggen. Wat die collega uit de 19e eeuw hem bijbrengt, zie je aan zijn schilderijen af. Het laatste kwart van die eeuw heeft Terwindt altijd bijzonder geboeid door wat er gemaakt is, de mensen die toen leefden, de tijd zelf. ‘Daar kan ik iets mee, daar dóe ik iets mee’, zegt hij, ‘Het is een voorbije wereld. Die zit toch in je hoofd, gek genoeg. Die foto’s, die ansichtkaarten uit Normandië in die wereld; als ik naar die ansichtkaarten kijk, kijk ik naar de literatuur en dan zie ik waarom ik Proust zo graag lees’.

Ik denk dat het andersom is: ik denk dat hij door Proust, beter: door wat Marcel vertelt, door wat Elstir schildert en zegt, zo verlangd heeft naar het Normandische landschap, dat hij overwogen heeft daar een atelier in te richten. Marcel en vooral Elstir achterna, denk ik daarbij. ‘Alle schilders van de 19e eeuw’, zegt Terwindt, ‘hebben in Nor-mandië gewerkt; je kunt geen schilderij zien uit de tweede helft van de 19e eeuw of Normandië komt erin voor.’

Het derde deel uit In de schaduw van de bloeiende meisjes waaruit Terwindt in de film leest, begint met de volgende zin (aan het woord is Marcel): ‘Het was toen net een dag geleden dat ik aan zee de fraaie stoet meisjes voorbij had zien trekken. Ik informeerde naar hen bij verschillende hotelgasten die vrijwel elk jaar naar Balbec kwamen. Ze konden me niet inlichten’. Wie hem over hen wel inlicht is Elstir, die de meisjes bijna dagelijks in zijn atelier ontvangt. ‘Elstir’, zegt Marcel, ‘was de noodzakelijke bemiddelaar tussen de meisjes en mij’. Je hoeft maar één blik op het werk van Terwindt te werpen, om te ervaren hoeveel meisjes, vrouwen hij in zijn atelier ontvangen moet hebben, of dat gewenst of gedroomd heeft. De meeste van Terwindts vrouwen laten hun lijf, hun vlees zien, maar zelden hun gezicht, misschien overeenkomstig Marcels ontboezeming:’Ik beminde er geen, omdat ik ze allen beminde’. En dan kun je beter niet al te persoonlijk worden, hè Rob?

Toch valt al die aandacht, dat verlangen naar de meisjes in het niet bij dat andere, misschien wel eeuwige verlangen. Ik citeer Marcel: ‘Maar als ik, desnoods zonder het te weten, wel aan hen dacht, dan, onbewuster nog, waren ze voor mij de heuvelende, blauwe golving van de zee, het profíel van een parade langs zee. Het was de zee die ik wilde weerzien als ik naar een stad zou gaan waar zij zouden zijn.

De parallel met Terwindts werk heeft Dinnissen in haar film benadrukt: de zee als terugkerend, blijvend thema in zijn werk. Je ziet hem starend/dromend over het strand naar zee, al is het de Hollandse. ‘Als iemand dromerig van aard is ’, zegt Elstir, ‘moet je hem er niet van afhouden, hem niet op rantsoen stellen. Zolang je je gedachten afkeert van je dromen, leer je ze niet kennen’. Terwindt zegt het zo: ‘Het is niet gek, zo nu en dan in je hoofd terug te grijpen op een droom’.

Mag ik erop wijzen - dat lijkt me in een centrum voor beeldende kunst best op zijn plaats - dat sinds kort uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken, dat dagdromen goed is voor het creatieve proces, dat lanterfanten loont. Dat wisten denkers al lang. Nietzsche bijvoorbeeld heeft het over de ‘onaangename windstilte van de ziel’ die voorafgaat aan het creatieve proces, en voor Einstein betekende de gave van fantasie meer dan zijn talent voor het opnemen van nieuwe kennis. Terwindt heeft het in de film over ‘een rustperiode’ waarin hij overdenkt wat hij net geschilderd heeft en binnenkort zal schilderen, waarin hij leest, wegdroomt en andere dingen onderneemt dan schilderen want dat doet hij hooguit een uurtje per dag.

Zoals Elstir schildert hij een aantal variaties op eenzelfde thema, verhalende mythologische, bijbelse, literaire voorstellingen, Wargames en zeestukken, maar ook stille schilderijen zoals Stilleven met vissen en zijn serie maskers.
Steeds betreft het een bijna laboratorisch onderzoek naar de ware aard van het onderwerp, naar een picturaal ideaal dat hij in zich draagt, dat hij in een serie varianten op doek zet, zoals Elstir dat doet, zoals Paul Cézanne bijna honderd maal de Mont Sainte Victoire schilderde.

Laat ik komen tot waar ik naartoe wilde.
De film van Dinnissen ligt in de lijn van A la recherche du temps perdu. Zij heeft een portret van Terwindt en zijn werk gemaakt op de wijze van waarop Proust zijn boek samenstelde: uit momentopnames, snapshots, tableaus, scènes, fragmentarisch als een verzameling ansichten.
En zoals alleen het boek van Proust, niet de man erachter, door Terwindt onder haar en onze aandacht wordt gebracht, zo zoomt Dinnissen op Terwindt en zijn werk in, niet op de man erachter.

Dinnissen heeft Terwindt in zijn gedroomd verleden, zijn verloren tijd, misschien wel verloren paradijs geplaatst dat hij in zijn ateliers probeert op te sporen via Proust en ansichten uit de tijd waarin Elstir schilderde. Het is de grote verdienste van Dinnissen, Terwindt zich in haar film die tijd te laten hervinden overeenkomstig het boek van Proust waarvan het laatste deel de titel draagt: Le temps retrouvé, De tijd hervonden.
Dinnissen plaatst Terwindt in het decor dat hijzelf heeft gewild, tegen de achtergrond van zijn favoriete boek, in de tijd en het landschap die hem beroeren. Haar film, Van Vis tot Veldslag, had wat mij betreft dan ook – met een vingerwijzing naar Proust – De hervonden tijd van Robert Terwindt mogen heten.
Als het boek van Proust is het witte doek van Dinnissen waarin zij Terwindt zo goed als vereenzelvigt met een kunstenaar als Elstir, al valt zijn naam nergens in de film. Een 21ste eeuwse Elstir in het Hollandse Berg en Dal in plaats van aan de Normandische kust, dat wel.

Els Dinnissen heeft ons in de ateliers van Robert Terwindt binnengeloodst, maar dat zal niet vaak meer gebeuren, want ‘wil een kunstenaar volkomen naar de letter van de geest leven, dan moet hij alleen zijn en niets van zichzelf wegschenken’, zeg ik Marcel na. ‘In de afzondering van scheppend werk legt het denken een weg af die in de diepte gaat, de enige richting die niet voor je is afgesloten, waarin je verder kunt komen, zij het moeizamer, om iets te bereiken dat hout snijdt’. Ik dank u voor uw aandacht.

Victor Vroomkoning, Nijmegen, 28 juni 2009

Van Vis tot Veldslag, portret Robert Terwindt,
een film van Els Dinnissen.
Verkrijgbaar als DVD (30 min. 2009)

Robert Terwindt is beeldend kunstenaar (1940), woonachtig te Berg-en-Dal.

Feraadpleegde literatuur:
Marcel Proust,‘ Op zoek naar de verloren tijd’, met een inleiding van S. Dresden, De Bezige Bij, Amsterdam 2002 // Maarten van Buuren, ‘Proust, een hoorcollege over zijn meesterwerk Op zoek naar de verloren tijd’, Home Academy, Den Haag 2005 // Peter de Jaeger, ‘ Lang leve de luiheid’, Brabants Dagblad, Spectrum, 20 juni 2009

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon