
In opdracht van Stichting voor Kunst en Cultuur Gelderland nam ik op initiatief van het Prins Bernhard Cultuurfonds Gelderland drie aankomende schrijvers onder mijn hoede van de herfst van 1999 tot en met het voorjaar van 2000. Verantwoording daarvan legde ik met vijf andere professionele schrijvers af in “Keer dan het getij en schrijf!”, uitgave van de bovengenoemde stichting, die in 2000 het licht zag. Daarbij ging ik in op het werk van de drie door mij begeleide dichters Josien van Barlo, Nini Salet en Harry M.P. van de Vijfeijke.
Op de avond van woensdag 27 oktober 1999 begon ik voor ongeveer 55 belangstellenden in een bovenzaal van O’42 te Nijmegen met de introductie van mijn masterclass. Ik maakte gewag van mijn poëtica, mijn werkwijze en ambachtelijke visie. Menig gedicht geeft zich langzaam prijs. Het was er al maar moest nog worden vrijgemaakt; de woorden moesten nog op hun plaats vallen. De dichter weet weliswaar ongeveer wat hij wil gaan zeggen, maar voor de goede afloop moet hij op het gedicht zelf vertrouwen. Maar niet zonder gereedschap, niet zonder moeite, want zonder beitelen bevrijd je een beeld niet uit zijn marmer. Je moet steeds blijven tasten naar dat ene authentieke woord, naar die ene ongekende regel, dat ene onontkoombare vers. Daar zijn tijd, moed, vlijt en vakmanschap voor noodzakelijk en een flinke mate discipline. Een gedicht is een weg, niet een bestemming. Het is een proces: je begint aan een gedicht om te zien hoe het zal aflopen, zal worden, uiteindelijk hoe het eruit ziet. De dichter probeert iets op te schrijven wat hij nog nooit gelezen heeft (Rutger Kopland, Het mechaniek van de ontroering). Het is een spannende bezigheid die omzichtig manoeuvreren vergt, behoedzaam opereren. Het gaat bij een gedicht dus om wat er onderweg gebeurt, ook met de dichter zelf. Je zit voortdurend in de wachtkamer van Taal (De Coninck): wat staat mij te wachten? Dichten is in deze zin altijd autobiografisch: je door je eigen taal beter laten/leren kennen. Dichten is je blijven verwonderen, (taal)ontvankelijk willen zijn, steeds nieuwe dingen bevragen, jezelf op het spel zetten.
Je moet er, zoals gezegd, moeite voor doen; een dichter is toch vooral een ambachtsman die vorm moet geven aan wat zich aandient. Weinig gedichten komen aanwaaien, wellen vanzelf op. Inspiratie is weliswaar onmisbaar voor de genese van een vers, maar daarnaast is de constructie onontbeerlijk.
Overwegen en kiezen, verwerpen, verbeteren en proberen, en zich afmatten (S. Vestdijk, De glanzende kiemcel), op zoek naar het precieze woord, de juiste klank, het passende ritme, het meest adequate beeld.
Na deze avondvullende voorstelling, zonden mij dertig potentiële deelnemers elk zeven gedichten toe. De anderen waren, reconstrueer ik, kennelijk te zeer onder de indruk gekomen van mijn uitdrukkelijke verzoek, mij geen light vers voor te leggen, bovendien af te zien van zogenaamd ‘hermetische’ verzen, omdat ik met beide weinig affiniteit heb. Het stond voor mij vast dat ik alleen vruchtbaar zou werken met hen die mijn soort poëzie schrijven, of liever: ik zou de drie door mij te selecteren dichters het best van dienst zijn, wanneer hun werk niet te zeer van het mijne afstond.
De selectie was geen sinecure. Nogal wat inzendingen ontliepen elkaar weinig in kwaliteit en thematiek. Uiteindelijk besloot ik – elke keuze is subjectief, vooral waar het poëzie betreft – tot de begeleiding van Josien van Barlo (Doetinchem), Nini Salet (Geldermalsen) en Harry M. P. van de Vijfeijke (Nijmegen). Alle drie bleken reeds geruime tijd te dichten en hadden in kleine kring gepubliceerd. Het leek me goed, met ieder van hen elke maand eren ontmoeting te hebben, En zo geschiedde: maandelijks ontving ik te mijnen huize de drie dichters afzonderlijk, nadat ze mij ruim van tevoren de resultaten van onze beraadslagingen hadden toegezonden. Eerst werden concepten, contouren van verzen zichtbaar, gaandeweg werd gesnoeid, geslepen,’witgewassen’, totdat van elke dichter een tiental min of meer samenhangende gedichten voor de voorziene publicatie restte. Het resultaat is ernaar: driemaal tien verzen die gelezen en gehoord mogen worden.
Toen alles in kannen en kruiken was, hebben we die tijdens onze enige gezamenlijke zitting tot op de bodem geledigd in een Nijmeegs etablissement.
