Bijzondere dingen 2024

Nieuw item: Ode aan de Gelderse Poort

(onderstaande tekst overnemen)

Foto’s van cover boekje door Puck
Titel foto Ode aan de Gelderse Poort

Ter  inleiding van de expositie van Kunstcollectief Gelderse Poort sprak ik een Ode uit:

Opening van de Ode aan de Gelderse Poort te Millingen op vrijdag 13 september 2024 

Geachte kunstbroeders en – zusters en – liefhebbers,

Het is weer september, de meteorologische herfst is ingegaan, maar hier begint vandaag de lente van het kunstseizoen 2024-2025. Het Kunstcollectief gooit zijn Gelderse Poort wijd open. Erbinnen zijn in het vorige seizoen allerlei activiteiten ontplooid van lezingen, tentoonstellingen en hebben vooral ontmoetingen tussen de kunstenaars, tussen de vrienden van het KGP, en de inzet van vele vrijwilligers met specialistische kennis en vaardigheden tot een stevig samenwerkingverband geleid, een hecht collectief dat met trots de nieuwe Kunst – Cultuur -Natuurroute kan presenteren. En laat gezegd zijn, dat de Stichting iedereen zeer erkentelijk is voor de bijdrage in welke zin dan ook aan het in stand houden van het Kunstcollectief en tot het tot stand komen van de jaarlijkse route. 

Er zijn drie tochten uitgezet door de natuur van het Gelderse rivierenlandschap, die je te voet, per fiets en per auto kunt maken. Deze drie routes voeren je op de West-, Oost-, en Zuidoever langs een groot aantal open ateliers waar kunstenaars de verbinding met de bezoeker aangaan. Het pontveer Millingen  –   Pannerden is volop in de vaart voor de fietsers en wandelaars. Moge de toeloop enorm zijn! 

Het jaarthema voor 2024-2025 heet ‘Tussenruimte’, een onderwerp dat nogal wat interpretaties opwekt en dat in alle disciplines binnen het Kunstcollectief heel wat creativiteit te weeg zal hebben gebracht, zal men merken waar morgen en overmorgen de poort open staat. 

Aan mij werd door Marjolijn Rigtering gevraagd ook míjn gedachten over het begrip tussenruimte  onder woorden te brengen. Zijzelf, grote spin in het web van het Kunstcollectief, mailde mij na een gesprekje over de spatie als tussenruimte:Niet het geregen snoer van woorden geeft aan een gedicht betekenis, maar via de spatie, tussen elk zorgvuldig gekozen woord, doemt de beduiding op. Zo wordt het niet benoemde toch gezegd in de leegte van de tussenruimtes. Al eerder had Marjolijn mij nog een invalshoek / overweging doorgezonden: 

De ‘Onzegbare Tussenruimte’ is de altijd stromende bron van individuele rijkdom, waaruit de kunstenaar kan putten bij het scheppen van een kunstwerk. Het geeft (in)zicht op een gebied, dat je niet met taal of logica kunt vinden. Het is de haast magische inspiratiebron die bijna alle kunstenaars ervaren en gebruiken. Het gaat voorbij aan wat de persoonlijke remmende factoren zijn en trekt zich niks aan van de geldende normen of verwachtingen. Dat is niet niks, dacht ik, en zij kan het weten.

Maar ik wil er zelf toch wel het een en ander aan toevoegen, daar vroeg zij immers om.

Eerst som ik nog even een paar andere uitleggingen van tussenruimte op: de slaap, de droom, de ruimte die je nog hebt aan het eind van je leven tot het sterven, de mystieke ervaring, de extase, de hallucinatie, de trip, en natuurlijk elke ruimte tussen twee zaken, ruimten in een huis bijvoorbeeld, het ruim van een schip etc. en nog veel meer. Waarschijnlijk liggen alle interpretaties dicht bijeen en is het niet meer dan een detaillering van wat als tussenruimte wordt ervaren. Ik wil een poging wagen de tussenruimte als een soort laboratorium te beschouwen waarin van alles borrelt, broeit, wordt onderzocht vergelijkbaar met een incubatie, oorspronkelijk: het uitbroeden van eieren.

VERA JANACOPOULOS

Cantilene

Ambrosia, wat vloeit mij aan?

uw schedelveld is koeler maan 

en alle appels blozen

de klankgazelle die ik vond

hoe zoete zoele kindermond

van zeeschuim en van rozen

o muze in het morgenlicht

o minnares en slank gedicht

er is een god verscholen

violen vlagen op het mos

elysium, de vlinders los

en duizendjarig dolen.

Zo dichtte Jan Engelman over de Griekse zangeres, de muze in het morgenlicht, tegelijk de muze van zijn gedicht. Nog anders: het gedicht is zelf muze geworden. De muzen, O de muzen. Wat zouden we zonder hen zijn, de negen dochters van Zeus? Oorspronkelijk zanggodinnen (zoals in het vers van Engelman), werden zij later bij uitbreiding  godinnen van kunsten en wetenschappen. Volgens de mythologie zijn ze geboren bij de Olympus, Griekenlands hoogste berg, verheven woonplaats van oppergod Zeus, waar zij bij voorkeur vertoeven om met hun stemmen de maaltijden der goden op te luisteren. De muzen verblijven ook op twee andere Griekse bergen, de Helicon en de Parnassus, ook wel de Dichterberg genoemd. Het is dus niet verwonderlijk dat een dichter deze Ode aan de Gelderse Poort brengt. Ik wil proberen iets over míjn muze te zeggen, in de hoop dat ik ook iets beweer over de muzen van de kunstenaars in het algemeen. En wat dat allemaal van doen heeft met het begrip tussenruimte

In het gewone taalgebruik spreekt men over de Muze (liefst met hoofdletter) als inspiratiebron van de kunstenaar, vooral van de dichter. Míjn eerste muzen waren mijn ouders. Iets minder dan veertig jaar geleden publiceerde ik een kleine bundel over hen, de muzen uit mijn jeugd. Hier heb ik die bundel, hij heet Klein Museum, een kleiner museum hebt u waarschijnlijk nooit gezien. En ja, in de titel schuilt de muze. Ik lees er het centrale vers uit:

BEHEER

Hoe ik met het houden 

van ouders begon

toen ik mij kwijt was

in een kind.

Tweemaal ouder werden zij

mijn oudste kinderen.

Zwakker wordend sterkten zij

in mij aan totdat zij ademden

als in hun eerste albums.

Hoe ik hun levens afstof,

restaureer, hun klein museum

conserveer.

Hoe ik verouder tot grijze wees

van onvergankelijke ouders.

Hoe het nooit meer ophoudt

toen te worden.

De laatste zin -‘Hoe het nooit meer ophoudt toen te worden’ houdt het programma in dat de meeste kunstenaars huldigen: dat van putten uit de herinnering, het gelukkige geheugen; het is niet voor niets dat de muzen de dochters zijn van Mnemosyne, de godin van de Herinnering.

Als men het doorgaans over de muze van een dichter, een kunstenaar in het algemeen heeft, denkt men al gauw aan een vrouw, een bepaalde vrouw, door /voor en over wie men schrijft, schildert, beeldhouwt, fotografeert, musiceert etc. De muze kan niet overschat worden: zij is niet minder dan degene die de kunstenaar inspireert, zij is de inspiratiebron, letterlijk de aanblazing, bezieling, ingeving. Als ik gedichten van collega-dichters lees waarin een vrouwelijke muze huist, word ik wel eens nieuwsgierig naar het levende exemplaar, wat natuurlijk een tamelijk foute gedachte is, want laten we elkaar goed verstaan: alles wat kunst is, is fictie;  elke gelijkenis met de werkelijkheid berust op fantasie. Maar toch: meer dan eens ontmoet je de vrouw die door de dichter als zijn muze wordt beschouwd, zijn lokroep. En dan moet je even ademhalen; is zij dat bijzondere, wonderbaarlijke wezen door wie hij tot schrijven, schilderen en andere kunstuitingen is aangezet? Daarom ben ik voorzichtig met mijn muze, maak ik haar niet te groot, anders is ze buiten het gedicht niet meer te houden, om van te houden. Collega Anton Korteweg zegt het zo in zijn gedicht 

Op verzoek

Dat ik van je hou, dat wil ik dan

ook wel eens schrijven, nu je dat

zo vraagt. Want ik hou van je en

niet eens zo zelden, gezien de

vierduizend dagen en nachten.

Dat het lijkt of je nauwelijks

ouder geworden bent, dat

je soms nog ver weg kijkt als

was je verliefd, dat

je handen nog mooi zijn, verder

zou ik niet willen gaan.

Dat ik je wang soms zoek en niet

je mond.

Zo’n houding ten opzichte van je muze staat me wel aan. Ik noem dat ‘kleinspraak’ in navolging van de dichter Hanny Michaëlis . Eerder een understatement dan een hyperbool, eerder een ironisch verkleinwoord dan grootspraak. Ik geef u een voorbeeld uitmijn eigen poëzie:

LIEFDE

Een kwart eeuw terug

voor het eerst naast haar

wakker geloofde ik in haar

plotselinge dood, zo beweging-

loos, geruisloos bleek

lag zij in haar slaap.

Nu wekt zij mij elke nacht

met cirkelzaag en allerhande

boren, scheert zij snorkelend

en fluitend op haar bezem

door het duister. Heksen-

sabbat zes uur lang.

Je moet wel erg van iemand

houden, wil je vergeten

hoe het was.

Een andere voorwaarde waaraan ik me bij het dichten houd, is dat je niet over de Muze schrijft waar zij bij is. Dat doe je ook niet met een brief aan haar. Er moet een zekere afstand zijn tussen het object en de kunstenaar. Dat maakt het missen (want je verlangt naar iets wat je mist) nog intenser. Ik ken dichters die op reis gaan om te kunnen dichten over wie zij achterlieten. De vleselijke aanwezigheid van de muze ontregelt haar alter ego op het papier. De muze moet niet om je heen draaien, maar in je hoofd; dán voedt ze je verlangen. Dat moet zij goed in haar oren knopen.

HUISREGELS

Zij zit je danig in de weg,

ontregelt je terwijl je

op papier een afspraak

met haar hebt.

Verdwijn, gebied je haar,

ik ben de huisgod

die verlangend uitziet

naar zijn maaksel.

Begrijpt ze niet dat jij

de minnaar die zij wil

niet bent dan zonder

haar, als je in volste

eenzaamheid met haar 

verkeert? 

Haar aanwezigheid zou niet enkel maar afleiden, stoorzender zijn, nee, haar nabijheid heft de afstand op waardoor er geen mogelijkheid bestaat naar haar  te verlangen, haar lokroep te beantwoorden, in creativiteit om te zetten. Doordat ze aan je trekt, krijg je zin in zinnen te gaan schrijven. En daar is het je uiteindelijk om te doen. Gemis is positief. ‘Missen is bewaren wat je mist’schreef ik ooit, het staat nu in de Van Dale. Poëzie bewaart, een gedicht stolt de tijd, zo zal het wel met elke kunstvorm zijn. 

Nogmaals: zonder je áf in de lucide roes waarin ze je heeft weten te brengen. Zet haar het huis uit als je over haar dicht. Haar rol is uitgespeeld, je bent zwanger van een idee, ja door haar, en dat moet uitgebroed, vormgegeven, geschapen, de incubatie moet beginnen.

DICHTERSCHAP

Asjeblief, hou op met die benen

zo midden op de dag. Ik moet nog

naar een gedicht dat af wil.

Jaja, weer een over de liefde.

Hou nou op, haal mijn arm van je

weg voor die straks niet meer kan

schrijven. Natuurlijk gaat het over jou.

Ja, ik zie ook wel dat je daar

niet bent maar hier. Hoe lang ben

je nou al met je dichter vertrouwd?

Afstand, mevrouw, afstand!

Goed, je bent zover dat het scheppen een aanvang kan nemen, maar doe dat alsjeblieft niet terwijl je bewogen bent, aangedaan door verliefdheid of liefdesverdriet of rouw, want dat is desastreus voor het resultaat. Te grote betrokkenheid is fataal: je zit voortdurend te janken boven je gedicht, je doek, dat geeft maar vlekken, en je let niet meer op de vorm. Daarom bijvoorbeeld schrijf je liefdespoëzie het best als de liefde over is, of als die eraan lijkt te komen. Schrijf over een scheiding als je bent opgedroogd, je rouw voorbij is. Je moet nuchter zijn, niet dronken van de muze, het model of weet ik wat. Liefst afgekoelde emotie. 

VERLANGEN

Hoe ik haar wilde

gister aan de Schelde

toen ze niet naast me

liep, niet met me naar

de boten keek, geen

mossel met me at, niet

naast me zweeg toen ik 

terugreed.

Hoe ik van haar hield

toen ik naast haar neer

streek en zij sliep. Uren

heb ik na liggen verlangen

tot het vanmorgen over

ging in verlangen naar

gister aan de Schelde

toen ze

Het door scheppingsdrang bevángen zijn, is als bij een besmetting, je komt er niet meer onderuit, je kunt er ook niet vanaf, het virus doet zijn werk. De broedperiode, het uitbroeden is een genezend ritueel in het antieke Griekenland. En daarvoor moet je bij jezelf blijven, het scheppingsproces, de incubatie helemaal alleen doormaken. Laat je niet afleiden, zorg voor passende omstandigheden, sluit je op in je atelier, neem de telefoon niet op, vermijd bezoek.

Het komt nogal eens voor dat je intens met een gedicht bezig bent en onverhoeds gestoord wordt waardoor het incubatieproces letterlijk ontregeld wordt, het scheppingsproces wordt onderbroken door ongenood bezoek aan je huisdeur:

ONTREGELING

Ervaringsdeskundig als ik geworden ben

houd ik colporteurs verre van mij af

of ze nu door hun schepper of diens zoon

gezonden zijn of door een andere schim

bevangen, hun fictie bruuskeert mijn dagelijks

geschrijf. Met zere tenen ontkomen ze

uit de kier die ik hun toesta, stom geslagen

door mijn zwijgen en door mijn schrijfvinger 

terug verwezen naar het trottoir vanwaar zij

hun orakeltaal tussen mijn regels dorsten drijven.

Dit vers, zeer onlangs uit het leven gegrepen, laat zich begrijpen als een inbreuk in het wordingsproces, de genese van wat door de Muze is geïnspireerd. De ruimte waarin de incubatie haar beslag krijgt, mag niet worden ingenomen door Fremdkörper;  het proces van vormgeving tussen inspiratie en noem het presentatie, verdraagt geen inmenging. De beveiliging van dit tussengebied – daar is het woord waaromheen dit openingswoord draait! – is de sine qua non, de crux voorelk kunstwerk. 

Ik duik nu even die tussenruimte in. Wat gebeurt daar nu precies in dat laboratorium, de incubatie?. Hoe komt een gedicht, een schilderij, een lied, welk kunstwerk dan ook tot stand? Een gedicht schrijven is volgens mij een zoektocht, een antwoord willen krijgen op de vraag: hoe zal dit gedicht eruit zien, hoe zal dit lied klinken, welk beeld komt straks tevoorschijn? Onder het maken roept elk woord, elke penseelstreek dezelfde vraag op. Elk woord roept nieuwe woorden op, elke regel nieuwe regels, elke toon nieuwe tonen. Het gedicht, het kunstwerk stuurt je tot het zich vrijgeeft, tot je (het) tussen haken [genoeg] vindt. En denk niet dat dit allemaal op rolletjes gaat. Vormgeving verlangt vakmanschap, ambachtelijkheid. Heel soms komt het je aanwaaien, maar doorgaans is het werken geblazen. 

Dichten is nieuwsgierig zijn naar hoe taal tot een gedicht krimpt. Je aan tafel verbazen over hoe het vers onder je vingers uitgroeit, hoe je achter de ezel het beeld zichzelf bijna ziet ontwikkelen. Hé! waar gaat dit naartoe? En als het af is: goh, hoe heb ik dit kunnen schilderen, dat paars, waar komt dat vandaan?  Ik probeer nooit te veel te begrijpen, maar tracht me te verwonderen over hoe woorden in elkaar grijpen, hoe die tot een gedicht worden. Je vindt een gedicht uit, tegelijk vindt het gedicht jou uit, althans iets van jou, iets van jou zelf. Wat in een gedicht is, is in de maker, ligt diep in hem verborgen. Een gedicht legt iets van de maker uit. Het is een soort zelfportret van hem. Alleen hij kon dit gedicht maken, en alleen dit gedicht zocht hem op. En als het een goed gedicht, is het een gedicht dat behalve voor de maker ook voor de lezer van belang is. Goede kunst schiet voorbij het hoogstpersoonlijke, handelt over algemene wijsheden, over altijd, over overal, over iedereen. De jou in een gedicht wordt ieder die zich dit gedicht aantrekt. 

Je bevrijdt een gedicht uit de taal zoals een beeldhouwer een beeld uit het marmer bevrijdt dat hij erin zag voor hij begon. Als het af is, zegt het gedicht, het beeld: hier ben ik, fijn dat je me hebt gevonden, gezien, zichtbaar gemaakt, verbeeld. Ik heb het jóu gegund. Zo zal het ook met een schilderij, een foto of andere kunstuiting gaan. Dichter Rutger Kopland zegt het zo in het gedicht David: ‘Beelden werden niet gemaakt, ze moesten ‘worden /bevrijd uit het marmer’, alsof ze er al waren, altijd al.

Soms zie je de kunstenaar rondspringen in zijn atelier, de dichter uit het dakraam juichen, want lijkt het resultaat op wat hen voor ogen stond. En heel soms is het kunstwerk zelfs zo gelukt, dat het gaat leven alsof het werkelijkheid geworden is, sterker nog: werkelijkheid wordt. Neem de beroemde beeldhouwer Pygmalion, koning van Cyprus. Hij schiep geen behagen in de vrouwen die hij om zich heen zag en schiep daarom een beeld van een vrouw uit sneeuwwit ivoor. Hij gaf het de perfecte schoonheid en uiteindelijk werd hij er smoorverliefd op. Hij schonk het allerlei cadeaus en juwelen, maar het bleef van ivoor; zo zijn nogal wat vrouwen, had ik hem in kunnen fluisteren. Maar een andere dame kwam te hulp: Aphrodite, godin van de liefde, schoonheid en vruchtbaarheid – wij kennen haar ook onder de naam Venus – krijgt te doen met Pygmalion en wekt zijn beeld tot leven waarna hij zijn eigen schepping, Galatea – zij die melkwit is – huwt. Nou, dat had Aphrodite beter kunnen laten. Want niet alleen betekent het bezit van iets het einde van het verlangen, de inspiratie, in dit geval het einde van zijn kunstenaarschap, vooral is het levende beeld niet bestand tegen erosie, terwijl het ivoren beeld onveranderd schoon zal blijven. Ach arme Pygmalion.  Maar goddank overleeft kunst het levende, inclusief de maker. Een hele troost toch voor allen die dit weekend hun kunsten laten zien.

Natuurlijk moet je de Muze serieus nemen, zo natuurgetrouw dat ze zo van het doek kán stappen, dat het gedicht Vera Janacopoulos van Engelman niet óver haar gaat, maar haar geworden is, dat het gedicht zelf is gaan zingen. Maar alleen in de verbeelding, in de kunst, niet in de werkelijkheid. Kunst is onecht, ze liegt dat ze barst. Geen enkel geschilderd model is gelijk aan het wezen van vlees en bloed dat erop lijkt. Met een romanpersonage, een geschilderd naakt ga je niet naar bed. Dat er vroeger Kamervragen over zijn gesteld zijn, zegt iets over de geestelijke gesteldheid der politici. 

We zijn niet allen Michelangelo’s. Vaak wil het creatief proces níet vlotten, hoewel alle voorwaarden vervuld leken: noorderlicht, een kraakhelder wit doek, fris hoofd, zin om te scheppen en toch…. stopt het bij de eerste aanzet. De inspiratie was er, iedereen in huis bewoog zich schoorvoetend; ssst, rustig: de dichter is aan het werk, maar hoe je ook wilt, er komt geen druppel uit je pen, je penseel blijft in het bakje, je beitel wil geen kant op, je beide handen hangen langs je lijf.  Je krijgt het beeld dat je voor je had, niet meer op het doek, vindt de woorden niet meer om te zeggen wat je wilde, de verf droogde op, je notenbalk bleef leeg. Je schiet tekort “Weer niet gelukt” zeg ik een figuur uit een bekend kinderprogramma na. Over dat falen schreef de dichter Willem Jan Otten het volgende gedicht:

CONTRAPRESTATIE

Ik breng bijeen

een druiventros,

geplukt gevogelte,

een Keulse pot

en maak daarvan

een nature morte;

het schikken kost

een dag of drie.

Daarna (het licht

valt goed, niets

staat het scheppen

in de weg) richt ik

de ezel op, stop

een pijp en druk ik

mijn flambard wat

aan. Dan kies ik

kleuren, neem ik

het palet ter hand,

en knijp ik één oog

stevig dicht:

de eerste druiven,

zie ik, zijn al

uitgedroogd, het wild

al bijna weggerot.

Het kan nog erger wanneer een schrijver een zogenaamd writer’s block overkomt, een tijdelijk onvermogen tot schrijven: zelfs de inspiratie is weg. Wat dan? De dichter Martinus Nijhoff schreef er een fraai gedicht over. In het gedicht komt het woord glycine voor, hier betekent het blauwe regen

IMPASSE

Wij stonden in de keuken, zij en ik.

Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.

Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag

wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,

en de kans hebbend die ik hebben wou

dat zij onvoorbereid antwoorden zou,

vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,

haar hullend in een wolk die opwaarts schiet

naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan

druppelend water op de koffie giet

en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Het lijkt een eenvoudig gedicht, dat is bij alles wat Nijhoff schrijft, maar pas op, zegt hij: ‘lees maar er staat niet wat er staat, ‘ (waterstaat!). Dit sonnet gaat over iets wat vastgelopen is [ impasse is in het Frans een doodlopende straat]. De schrijver zit vast, heeft geen inspiratie, weet niet waarover hij moet schrijven, schaamt zich daarvoor, hij komt om raad bij zijn vrouw: ‘waarover wil je dat ik schrijf?’ vraagt hij. In de keuken gaat de fluitketel fluiten, zij verdwijnt in een stoomwolk die door het tuimelraam verdwijnt. Zij krijgt iets van een profetes die orakeltaal spreekt: ‘ik weet het niet’. Neem dat zo letterlijk mogelijk! bedoelt zij. Over dat ‘ik weet het niet’ moet hij schrijven, over zijn impasse. Zoals de fluitketel op stoom komt zo ademt hij haar wenk, haar inspiratie in. Zijn vrouw, zijn muze, houdt het hem voor:  ga aan het werk zoals zij in de keuken, schrijven is zijn ambacht. En over wat hem dwars zit ( niet kunnen schrijven) schrijft hij het gedicht dat hem meteen verlost van zijn writer’s block. De impasse is opgeheven. Discipline, dagelijks ritme zijn onlosmakelijk verbonden met het kunstenaarschap.

Ten slotte: als het gedicht, het schilderij, de compositie etc, de vormgeving af is, de incubatie vruchten afwerpt kom je vaker dan je lief is tot de vaststelling dat hetgeen je hebt vormgegeven, niet overeen komt met wat je je had voorgesteld. Wat inhoudt dat je opnieuw moet wachten tot de Muze je roept. En dat hoeft niet een vrouw te zijn natuurlijk, dat zult u wel begrepen hebben. Voor mijn voordracht had ik haar nodig als de verpersoonlijking van inspiratie in welke vorm dan ook. Wie of wat de kunstenaar aanzet tot zijn metier is mij om het even. Uiteindelijk voelt hij een zichzelf opgelegde verplichting, noem het ‘doem’,  tot het maken van nieuw werk waarvan hij niet weet hoe dat eruit zal zien. Dat scheppen is immers zijn roeping, ook wel eens tegen wil en dank. Gelukkig zal hij de Muze niet kunnen weerhouden hem blijvend te verleiden. Lang leve de Muze, de kunstenaars, de kunst, het Kunstcollectief! 

Victor Vroomkoning © 2024

( een paar foto ’s maken  door Puck)