Op 12 juni bezocht ik met partner Mechelen (België) waarbij we het geboortehuis van dichter Herman de Coninck aandeden. De woning, voormalige boekhandel, zou gesloopt worden maar wegens cultureel belang zal die behouden blijven. Op de gevel van het hoekhuis is een regel aangebracht die nauwelijks leesbaar is.

Eerder hadden we aan een gevel een van De Conincks bekende verzen zeer duidelijk leesbaar ontmoet:
DE PLEK
Je moet niet alleen, om de plek te bereiken,
thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.
Er is niets te zien, en dat moet je zien
om alles bij het zeer oude te laten.
Er is hier. Er is tijd
om overmorgen iets te hebben achtergelaten.
Daar moet je vandaag voor zorgen.
Voor sterfelijkheid.
—
Ik zond dit vers per app op aan zoon Valentijn, die binnen twee minuten met een ander vers op de proppen kwam.
HET HUIS WAAR IK BEGON
Daar, waar de stoep nog weet
hoe moeder mij droeg –
als een geheim dat telkens
gefluisterd wordt aan de wind.
De gang rook naar linóleum
en verschaald verdriet.
Achter elke deur
een stilte die zijn tijd
afwachtte.
De trap kraakte als een zin
die niet uitgesproken mocht
worden, en de zolder was hert
geheugen
van wat men vergat.
In de keuken stond vader
als een komma tussen werk
en zwijgen.
Moeder streek mijn toekomst
glad
naast de was van gisteren.
En ik?
Ik leerde dat thuiskomen
iets is wat je pas later begrijpt.
Een plaats,
of iemand
die jou zonder woorden
herkent.
Ik kende het niet maar vond het mooi. Het was een test van mijn zoon: hij had het gedicht door AI laten fabriceren à la De Coninck.
Even daarna moest ik voorlezen bij Boekhandel Roelants in Nijmegen. Daar las ik dit AI – gedicht ten overstaan van een tiental dichters en poëziekenners en niemand vermoedde dat het via mijn zoon door AI was geschreven, op de wijze van De Coninck. Ik vroeg me hardop af, wat uiteindelijk het lot van een dichter zal zijn: slaafje van AI zonder eigen geluid? Gelukkig kon ik erna nog lezen uit het werk van Eugenio Mortale en een door mijzelf gemaakt vers. Geheel authentiek.
KLINIEK TE KEULEN
Het was voor een opname dat ik vijfhoog in mijn gettopyama
voor het grote raam verscheen opdat mijn geliefde mij
vanaf het aangrenzend park kon toezwaaien en omgekeerd.
Allengs vormde zich rond haar een groep die mee ging
zwaaien waarop ik mijzelf vergat en tot clown transformeerde.
Sommigen, zag ik, gingen mij imiteren, grepen naar hun haren,
hieven hun handen ten hemel. Twee zusters kwamen informeren
of ik wel goed bij mijn hoofd was, op zijn beurt stond het hele huis
achter de ramen na te spelen wat zich buiten voordeed.
Waarop ik luid begon te snikken en me terugtrok van de luister.
