
Achter de Karmel, 2015/1. Jaargang 27, afl.1, maart 2015

REIS
Hierbinnen schemert het als in een grot,
daarstraks nog beesten in het zicht, hun halzen
naar het gras gericht, nu knikkebolt mijn dubbel-
ganger daar, een reis met tweegezichten.
Stemmen dwalen door de bus maar woorden komen
niet meer door, mijn oren horen verre koren, roept
daar een sirene? Ik dool naar voren, niemand
die de bus bestuurt, waar is de gids gebleven?
Mijn schouders botten uit, door het open luik
zie ik hoe heller licht dan dat van moeder maan
uit het gewelf flikkert, ik word opgeheven, zuig
aan ether. Wat mij overkomt, ontbeert een naam,
mijn tong voelt zwaar, ijle klank word ik gewaar
zo schoon en goed, hoe moet ik haar in echo’s doen?
Dan sluit de hemel zich en land ik op het bus-
lichaam – nachtboot op het droge – stommel
naar binnen, strompel naar mijn plaats. In me
zwelt de stem weer aan die mij verlaten leek.
