Tijdens de jaarlijkse Poëziemiddag in Boekhandel Roelants op 31 januari 2026 las ik 3 gedichten waaronder De eenzame man in zijn serre uit ‘Manieren van leven’ van Leonard Nolens, die een maand daarvoor was overleden.(11 – 4 – 1947 + 26-12- 2025). Ik vroeg aandacht voor de sterfdag van Nolens en leidde het gedicht kort in waarbij ik aandacht vroeg voor de vermelding/ verwijzing naar Achterberg.


Voorts las ik DE VISSER en DE PATER van mijzelf.
De eenzame man in zijn serre
Je droomt dat zij haar handen rond je wangen legt.
Je hoort, je ziet dat zij het is en ook weer niet.
Ze zit diep in je vervleesd – wie wordt gewekt
als zij ze rond je wangen legt? En wie ziet wie?
Maar zij verdraagt het niet dat jij je hebt vertakt
in haar, dat zij nog altijd in je bot en bloeit.
Ze wil geen bloesem zijn, geen onnatuurlijk pact
met jou, ze wil niet dat ze langzaamaan rot of groeit
in goede ondergrond die ze niet zelf bedacht,
in serrelucht die haar vermoeit, bevangt, verschroeit
met bloedheet dampgeweld. Ze wil niet dat de kracht
van je kunstmatige natuur haar levenslang doorgloeit.
Ze wil je liefste zijn, maar niet je evenbeeld.
Ze wil wel met je zijn, maar niet in jou vervleesd.
Ze wil ook van je zijn, maar niet dat jij verweesd
achterbleef, Achterberg. Haar dood is je brood geweest.
uit: De gedroomde figuur (1986)
DE VISSER
De visser haalt de weerhaak uit zijn prooi
en voor hij die terugwerpt of niet, doorziet
hij het radeloze in de vissenogen, het spel
dat hij speelt op leven en dood. Deze dag
waarop hij de Grote Visser overdenkt,
hoe diens hand even in zijn dagelijks
leven een kleinigheid, een toevalligheid,
een ongelukje, vooruit een oorlogje
op hem in laat dalen, en hem dan weer
terugzet, getekend, gemankeerd,
zonder gescheurde lip, maar met een oog
minder bijvoorbeeld, een kruk meer.
Als in een parabel keert hij huiswaarts
hangt zijn hengel aan de haak naast
het kruis in de gang en daalt hij af in bad,
weekdier, dagdier, dier onder de dieren.
DE PATER
Weer een sermoen godbetert in elkaar geflanst,
zo goed? gluurt hij naar de gekruisigde
in zijn schaamlap boven zijn bed.
Subiet onder het biecht horen misschien
een jongeling die hem zijn diepste zonde toevertrouwt,
lichtpunt tussen de schijnheiligen die hem bezoeken.
O, de veiligheid van het duister waarin hij
zich bevlekken kan, terwijl hij luistert over lippen-
dienst aan het geslacht van een van zijn confraters.
