
In het Kerstnummer van dit studentenblad werden van mij 4 gedichten geplaatst, 136ste jaargang, no. 10-11, Amsterdam 18 december 2025, te weten: DE PATER, DE VISSER, DE DOCENT en DE BOER.
DE PATER

Weer een sermoen godbetert in elkaar geflanst,
zo goed? gluurt hij naar de gekruisigde
in zijn schaamlap boven zijn bed.
Subiet onder het biecht horen misschien
een jongeling die hem zijn diepste zonde toevertrouwt,
lichtpunt tussen de schijnheiligen die hem bezoeken.
O, de veiligheid van het duister waarin hij
zich bevlekken kan, terwijl hij luistert over lippen-
dienst aan het geslacht van een van zijn confraters.
DE VISSER

De visser haalt de weerhaak uit zijn prooi
en voor hij die terugwerpt of niet, doorziet
hij het radeloze in de vissenogen, het spel
dat hij speelt op leven en dood. Deze dag
waarop hij de Grote Visser overdenkt,
hoe diens hand even in zijn dagelijks
leven een kleinigheid, een toevalligheid,
een ongelukje, vooruit een oorlogje
op hem in laat dalen, en hem dan weer
terugzet, getekend, gemankeerd,
zonder gescheurde lip, maar met een oog
minder bijvoorbeeld, een kruk meer.
Als in een parabel keert hij huiswaarts
hangt zijn hengel aan de haak naast
het kruis in de gang en daalt hij af in bad,
weekdier, dagdier, dier onder de dieren.
DE DOCENT

Ze doen met je wat ze willen, leren je hen stil
lief te hebben, tergend langzaam naar ze toe
te sluipen om ze licht te beroeren en voorover
buigend fluisterend te helpen bij een vraag
waarop hun antwoord open bleef.
Ertussendoor de erbarmelijk onvolwassen
knaapjes die nog niet vermoeden kunnen
hoe de wrede schepseltjes om hen heen
een arme ouwe ziel beheksen, doorzichtige
nimfen die met het wit in hun oogopslag
je verontrusten, hun kleding schikkend om
glimpen van hun prille vlees prijs te geven,
ongevaarlijk, niet de opwinding voorbij.
DE BOER

Hij wacht de wolf, monster voor
de donzen wolk die door het hok
scharrelt, zijn hand aan de loop
zijn klompen honkvast om zijn poten.
Hij vreest de troebel in zijn oog
als de stolp van de schemer hen
omsluit, de artrose die zijn vingers
onklaar maakt, en zijn onzuiver oor
als het snode tuig naderbij sluipt.
Kloek is hij die het onnozele beschermt
tegen de listige daarbuiten, de hoon
van de burger, de stedeling, het landverraad.
