Tijdens de nationale herdenking van onze bevrijding sprak ik in de Stevenkerk te Nijmegen
de volgende tekst uit.
Goede avond allemaal,
Ik ben zogezegd van vóór de Oorlog, die van 40-45. Mijn Antwerpse moeder was van vóór de Eérste Wereldoorlog, die van 1914 tot 1918. Twaalf jaar oud, werd zij op 2 maart 1915 door het zogenaamd Kindercomité als Belgische vluchtelinge ondergebracht in het Noord-Brabantse Boxtel naar waar zij na een korte repatriëring terugkeerde en haar leven lang zou blijven wonen. Zij nam met haar man, mijn vader, de brood- en banketbakkerij van haar pleegouders over. Toen mijn moeder in 1938 in verwachting was van mijn zus en mij, was vader gemobiliseerd ( in afwachting van een mogelijke oorlog) maar mocht naar huis om de zaak draaiende te houden.
Enige tijd nadat in mei 1940 de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken, kreeg ons gezin inkwartiering van enkele Duitse militairen. Dat was nogal gecompliceerd, omdat tegelijkertijd een onderduiker bij ons logeerde die zich overdag als bakkersknecht uitgaf en er ’s nachts op uittrok voor verzetswerk.
Na pakweg vier en een half jaar bezetting, op zaterdag 23 september 1944, kwamen voor de vierde maal in die week grote groepen zweefvliegtuigen (zogenaamde gliders), getrokken door Dakota’s over Noord- Brabants grondgebied, onder meer over Boxtel, waar ik met grote ogen naar de lucht stond te kijken, een zelfgemaakt geweertje in de hand. Die gliders vervoerden manschappen en voorraden, bestemd voor de 82ste Airborne Divisie bij Nijmegen dat tijdens Operatie Market Garden net bevrijd was. Een aantal gliders werd door het Duitse afweergeschut geraakt waaronder dat van de Amerikaanse piloot Flight officer Arthur Moss dat neerkwam in de Kampina, een uitgebreid natuurgebied met heide, bossen en vennen, op ongeveer 7 kilometer van ons huis. Het had moeten landen in de buurt van Groesbeek. Nu wil het geval – zonder dat ik dat toen wist – dat ik dertig jaar nadien in Groesbeek kwam te wonen vlakbij de plek waar Arthur Moss had moeten landen..
Vrij snel nadat de glider in de Kampina was geland maakte Louis Katan, districtsvertegenwoordiger van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en Koerier van het Rode Kruis, kennis met de groep gestrande militairen. Katan woonde als ondergedoken Jood vlakbij ons huis. Hij was vooral verantwoordelijk voor de voedselvoorziening. Hij verzocht mijn ouders de militairen van brood te voorzien. In de dagen erna zouden zich meer dan 100 te vroeg gelande militairen [para’s] in de Kampina schuil gaan houden. En zo geschiedde, dat via allerlei sluipwegen en voertuigen, zelfs in melkbussen, elke dag een groot aantal broden door bezet gebied van ons huis naar Arthur Moss en zijn mannen werd vervoerd. Vader bakte, moeder zorgde voor het transport.
Dat duurde tot 24 oktober, toen de groep – inmiddels aangegroeid tot 120 man, inclusief enkele Duitse krijgsgevangenen – de moed vond zijn schuilplaats te verlaten en naar Boxtel op te trekken.
Op de markt werden ze ingehaald als de bevrijders van Boxtel, waar de Duitsers – voor ze halsoverkop vertrokken – nog de brug in onze straat hadden opgeblazen waarvan een deel ons huis vernielde. Ons gezin zat nog met enkele buren in de kelder van ons huis waar we de herdenking van de trouwdag van mijn ouders vierden. Toen we boven kwamen, was Boxtel bevrijd en stonden we even later tot onze grote verbazing oog in oog met Arthur Moss die mijn ouders namens zijn mannen overlaadde met dank en lof voor de dagelijkse broodvoorziening tijdens hun verblijf in de Kampina. Nog tot lang na de oorlog zou er contact tussen hem en mijn ouders blijven bestaan.
Mijn ouders ontvingen na de oorlog als dankbetuiging een paar oorkondes van de militaire staf en bovendien kwamen later hun namen terecht op het desbetreffende verzetsmonument in de Kampina. Ik mocht er jaren nadien een gedicht aan toevoegen, een eerbetoon aan de verzetsstrijders en hun helpers onder wie mijn ouders.
Al eerder, op 4 mei 2010, werd een soortgelijk vers onthuld dat ik in opdracht van de gemeente had geschreven voor allen die in Nijmegen tijdens de Tweede Wereldoorlog actief in het verzet waren geweest. De plaquette met dit gedicht is aangebracht op het Stevenskerkhof aan de voet van de Steventoren. Het luidt als volgt:
‘Ik was geen held. Als een dief in de nacht
ging ik te werk, als een mol zocht ik mijn
weg. Een naam had ik noch een gezicht
en wat ik deed moest uitgewist. Ik was niet
meer dan een monddood mens die zijn hart
liet schreeuwen tegen een onmenselijke staat.
Ik was geen held, maar laat me in het open-
baar bestaan, me delen in de vrijheid van
de stad waarvoor ik heel mijn leven overhad.’
Ik weet het: ik heb het hier over de bevrijding in september/oktober 1944 in plaats van die op 5 mei 1945. Iedere plaats heeft zijn eigen bevrijding gekend, los van de definitieve op 5 mei 1945. Op die landelijke Bevrijdingsdag , vandaag dus, hier en nu, keer ikzelf in gedachte altijd terug naar die van Boxtel. En in fysieke zin doe ik dat ook rond elke 24ste oktober: daar bij het monument met de namen van mijn ouders, vier ik jaarlijks tegelijk met de bevrijding van Boxtel de herinnering aan hun trouwdag. Zo zal iedereen zijn eigen onuitwisbare beelden van vrijheid blijven koesteren, want vrede is een zuivere maar broze vorm van bestaan.
Maar waar men ook was toentertijd, wanneer men ook is bevrijd, het begon op D-day, 6 juni 1944 toen de geallieerden in Normandië voet aan wal zetten. Laten we ons dus nog even omkeren naar onze bevrijders, vooral naar diegenen die het niet overleefden. Op 6 juni 1994, dus vijftig jaar na D-day, was ik op de militaire begraafplaats ter hoogte van St.- Laurent in Normandië waar de invasie plaats vond op het nabij gelegen strand dat sindsdien Omaha-Beach heet, de geallieerde codenaam van een van de vijf landingszones. Ik schreef er het volgende gedicht bij.
OMAHA BEACH, American Cemetery [6 juni l994]
Hier liggen ze in strak gelid,
ze kwamen, zagen, vielen
niet zozeer omdat ze streden
meer doordat de nacht geen slaap
verdroeg, de dag te vroeg in lichter
laaie stond, de vloed te ver,
het strand te vol, het land te bars
bleek en zijzelf – zeeziek, bang,
wanhopig moedig ontscheept
van die zij minden – weinig anders
konden dan doorweekt
de lopen tegemoet.
Hier zal je zoon maar wezen of
je man of hij die dat zou worden.
Een kruis of negenduizend wil
dat je niet vergeet hoe anoniem
hij is gaan leven.
En laten we ons ook realiseren dat voor zeer veel burgers de bevrijding er nooit kwam.
Bij voorbeeld voor hen die niet konden ontkomen aan de razzia van 17 november 1942. Voor hen en voor allen die onder het schrikbewind heengingen, schreef ik het volgende gedicht:
STATION NIJMEGEN, NA 17 NOVEMBER 1942
In het duister uit hun bed gelicht
zwaarbepakt bijeen gedreven
in een school en lamgeslagen
in een rij naar een trein afgevoerd
enkele reis Polen, tussenstop Westerbork.
Om nooit te vergeten, altijd te weten
als je hier passeert. Hier gingen ze,
de honderdzesennegentig Joden
hier stap je in hun trein.
Epiloog:
‘Leve het leven’, zei een oude man van de week in de bus tegen een vrouw tegenover hem. Moge dat zo zijn! dacht ik nog.
Maar diezelfde avond drukte Erik Akerboom, de baas van de AIVD, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, ons op het hart: we moeten niet doen alsof we in vredestijd leven. Ja, voeg ik daaraan toe, we zijn immers betrokken bij een oorlog in Europa, al is dat niet direct en dichtbij zoals in de Tweede Wereldoorlog. Ik heb er moeite mee gedichten te schrijven die de moed erin houden, en net doen alsof oorlog niet een chronische, erfelijke aandoening blijkt te zijn. Daarom laat ik dit over aan John Lennon, die in 1971 Imagine schreef, nog altijd één van de meest pregnante songs over het streven naar wereldvrede. Vrij vertaald:
STEL JE VOOR
Stel je voor: er is geen hemel
noch een hel, probeer dat eens,
dat lijkt toch simpel:
boven ons alleen lucht.
Stel je voor dat alle mensen
leven voor vandaag, hier en nu.
Stel je voor: er zijn geen landen
dat lijkt me makkelijk te doen.
Er is niets om voor te doden of te sterven
ook niet voor een geloof.
Stel je voor dat alle mensen
samen in vrede leven.
Je zou kunnen zeggen dat ik een dromer ben
maar ik ben niet de enige.
Ik hoop dat je je op een dag bij ons aansluit
en de wereld zal een eenheid zijn.
Stel je voor dat je niet naar bezit verlangt,
ik vraag me af of jij dat kunt:
geen lust naar hebzucht of honger
een gemeenschap van mensen.
Stel je voor dat alle mensen
de wereld samen delen.
Je zou kunnen zeggen dat ik een dromer ben
maar ik ben niet de enige.
Ik hoop dat je je op een dag bij ons aansluit,
en de wereld zal een eenheid zijn.
Ik dank u wel,
Victor Vroomkoning, Nijmegen, 5 mei 2024
