Klaus van de Locht 1942 -2003

Eenmalige gelimiteerde oplage van 200 exemplaren, elk voorzien van een uniek kunstwerk van Klaus van de Locht. Gepresenteerd op 6 juli 2024 bij Boekhandel Dekker van de Vegt in Nijmegen.

Hierin is opgenomen mijn toespraak die ik op 6 september 2003 hield bij de opening van de postume overzichtstentoonstelling ‘Erfgoed’ in Galerie Stills te Nijmegen. Het boek besluit met mijn gedicht VRIJE VAL.

Bij de opening van de expositie van Klaus van de Locht in Galerie Stills, Nijmegen, 6 september 2003

Het zal 20 jaar geleden zijn geweest, dat ik voor het eerst Klaus van de Locht ontmoette bij boekhandel Dekker van de Vegt aan het Plein alhier. Je kon hem daar elke dag aan de koffie treffen want dat hoorde bij zijn dagelijkse riten en van riten was zijn leven vol.

Ik had net mijn eerste bundel uitgegeven, Klaus – een paar jaar jonger dan ik – was al langer creatief doende en was door zijn labyrint aan de Waal een in Nijmegen bekende kunstenaar geworden. Enige jaren erna bezocht ik zijn atelier dat toen al vol hing, stond en lag. Ik ging er weg met een Leda en de Zwaan onder mijn arm en jaren later herhaalde zich dat met een aantal naakten. Die hing mijn geliefde van toen naast het echtelijk bed. Ze hangen er nu nog, want een man is nooit te oud om die niet te willen zien. Ik schreef het volgende gedicht bij de vier gratiën van Klaus:

Reductie

Ik heb vier jonge vrouwen

achter glas, slavinnen

van de geest, door haar

met wie ik leefde gehangen

naast de spiegel bij het bed

zodat ik elke ochtend

mijn uitgezakte naaktheid

naar ze kan zien oprichten.

Wat diepte had is terug-

gebracht tot platte vorm.

Enkele weken geleden bezocht ik zijn atelier opnieuw, voor het eerst zonder hem, om een laatste blik te werpen op wat hij meestal uit gevonden voorwerpen tot kunst had verbonden. En het eerste wat mij opviel was, wat mij die allereerste keer ook al had getroffen: van allus maakte Klaus een fallus, of beter gezegd: alles wees omhoog van fallus tot trap, van vogel tot ladder, elk ding wilde de lucht in, de locht in.

Al van jongs af aan, als begenadigd turner, ondernam hij pogingen zich op te richten naar het licht. Maar na een val uit de rekstok en een jaar lang plat liggen, kon hij alleen nog in zijn verbeelding, in zijn kunst, als een vogel, als vogelmens, ontkomen aan zijn aardse lot. Misschien voorvoelde hij toen al de ziekte waaraan hij bezwijken zou, waardoor al zijn spankracht zou wegebben en wilde hij zich in zijn kunst daartegen teweerstellen? Ach, wat weten wij van de vooruitziende blik van de sjamaan die hij was, die hij wilde zijn? Hoe dan ook: het is op zijn minst ironisch dat een man die zo de lucht, de vlucht, de verlichting gezocht heeft in zijn leven, zo deerlijk aan de grond genageld werd. Hij, vleesgeworden zoon van Daedalus.

Het Labyrint van Daedalus is in de loop der eeuwen cultisch symbool geworden; volgens ingewijden – en Klaus reken ik tot hen – brengt het in een beperkte ruimte een lange en moeilijke weg van inwijding tot uitdrukking. Het lagere, de Minotaurus in jezelf, moet overwonnen worden, opgeofferd, om tot het hogere te raken. Om met Klaus’ eigen woorden te spreken: ‘In het centrum van het Labyrint zit de Minotaurus, het monster dat het monster in jezelf is; als je wint, de Minotaurus verslaat, betekent dit dat je je eigen identiteit vindt en dat je jezelf inclusief je donkere eigenschappen aanvaardt. Doe je dat niet, dan word je psychisch gedood. Als je in het labyrint van het leven het gevecht met jezelf niet aangaat, alleen maar de gulden middenweg bewandelt zoals Daedalus zijn zoon aanried, loop je vast en met jou de wereld.’ Het labyrint als levensweg, als doodlopende weg als je er niet bijtijds aan ontsnapt.

Icarus, de zoeker naar het hogere, kon maar vliegen dankzij zijn vader die het Labyrint ontwierp en dankzij Theseus’ overwinning op de Minotaurus. Daedalus, de vader van de gedachte van de zoon, construeerde de eerste vliegmachine, zijn zoon. Vogelman Ikaros ontsteeg zijn vader, overklaste hem in moed en hoogmoed. Hij werd het prototype van de middelaar tussen het aardse en het hemelse, het lagere en het hogere. ‘Voor de essentie zal ik voortaan leven / de uren die mij scheiden van de dood’ dichtte Andreas Burnier in haar Icarus-gedicht, wat helemaal van toepassing is op de inzet van Klaus van de Locht. Klaus zei eens tijdens een interview: ‘je moet alles aanpakken, het geeft niet wat je doet in je leven, of je aardappelen schilt of kathedralen bouwt, als je het maar doet met overgave en liefde, dan ben je een held’. Klaus wilde zo’n held zijn, als turner al wilde hij zijn die Icarus was: de verpersoonlijking van het menselijk streven naar het hoogste, het verlangen naar eenheid met de goddelijke natuur, de bevlogen mens, de creatieve, stoutmoedige, vermetele strever naar het extatische moment. En wat hem als turner niet lukte, wilde hij als kunstenaar-sjamaan volbrengen.

Klaus was Daedalus, Theseus en Icarus tegelijk: als constructeur ontwierp hij het Labyrint om zich bevrijdend van het lagere van daaruit naar het licht te reizen op zelfgemaakte vleugels. Elke keer dat hij schiep, zette Klaus zichzelf op het spel, elke keer opnieuw construeerde hij als Daedalus de mogelijkheid om zich als Icarus te bevrijden uit het dagelijkse labyrint, vertrok hij in en door die moedige scheppingsact vanuit zichzelf, naar het Ware, het Schone, het Goede, naar Plato´s zon, naar ´het geheim van de andere kant´, de extase van de in trance geraakte, hallucinerende sjamaan. De sjamaan ook als intermediair, als heelmeester tussen mens en het goddelijke, als vereniger der tegendelen ook: van het eeuwige met het contemporaine. In kleine monumentjes, gedenktekentjes, totempjes, herdacht hij, geïnspireerd door Afrikaanse voorouderbeeldjes, geliefde mensen die hij daarin steeds aanwezig wenste, die hem konden inspireren.

In die zin is Klaus van de Locht een religieus kunstenaar, in authentieke zin een helend, heelmakend, heilig mens geweest, vol eerbetoon aan de schepping waaruit hij kon putten om zélf te scheppen. Dag in dag uit schiep hij, assembleerde hij, herschiep hij een nieuwe realiteit uit gebruikt of gevonden materiaal, schiep talloze labyrinten, minotaurussen, ariadnes, icarussen, ladders, trappen, poorten, hekken, kruisen, bekers, kandelaars, zandlopers, trommels, fallussen, vruchtbaarheidssymbolen, fabelbeesten, vogelmensen, duivelachtigen, vogelachtigen, haasachtigen, visachtigen en weet ik wat al niet op en uit en met alle denkbare materialen, van gebruikte bruine Dekker van de Vegt -enveloppen tot leeggegeten soepblikjes, van boomstronken tot restmateriaal van collega’s. En meestal waren het oude mythes, oude riten, die hij met zijn recycling deed herleven, vooral die van Icarus.

Ikaros van de Locht streefde naar een verticale dimensie, een verbinding tussen het hier en nu en het gindse aan gene zijde. De Jacobsladders en trappen die hij in allerlei varianten ontwikkelde, zijn het meest uitgesproken symbool van de communicatie tussen het goddelijke en het menselijke, verbinding tussen hemel en aarde: ‘En zie, engelen Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder’ (volgens Genesis (28:12)). Hoe hoger je komt, hoe dichter bij Gods hemelpoort.

Ladders en trappen als mogelijkheid om op te klimmen naar de hemel, aan het alledaagse te ontstijgen naar een hoger kosmisch plan. ‘Daar staat een ladder opgericht. / Engelen klimmen in het licht / en roepen luid, bij elke tree: / Sta op, o mens, ga met ons mee!’ (Jan Wit). Symbolen als ladders en labyrinten belichamen een eeuwige waarheid. Archetypen zijn altijd waar, overal ter wereld.

Naast de verticale bevrijding zocht Klaus in horizontale richting het verlangen naar de andere kant. De slede, het rijtuig, vooral de boot verplaatsen de ziel evenals de ladder van déze naar géne zijde; de boot als horizontale zuil. ‘Het leven is een horizontale val’, zei Klaus Jean Cocteau na. Zo symboliseert ook elk hek van Klaus de overgang van het ene, private, dichtbije gebied naar het andere, de vrije wereld erachter. Een hek als een horizontale ladder en de poort een afschaduwing van de hemelpoort, overgang naar een nieuw leven blijkens Christus’ woorden: ‘Ik ben de deur, als iemand door mij binnenkomt, zal hij behouden worden’.

De laatste keer dat ik Klaus zag, lag hij in zijn kist, gekleed als sjamaan met de trekken van Icarus op wiens gelaat de extase van het Eeuwige Licht lag, de Minotaurus en het Labyrint voorgoed overvleugeld; Klaus die in januari 1999 had neergeschreven: ‘Zoals het midden van het labyrint vinden we het leven via de dood’ en in juni van datzelfde jaar: ´Sinds 1.000.000 jaar bestaat voor ons de dood en toch weten wij niets over hem, alleen over het sterven weten wij alles´. Het licht hebbe zijn ziel, hij leve nog lang en gelukkig.

Victor Vroomkoning

VRIJE VAL

voor Klaus van de Locht

Als giervalk hing ik in de ijle lucht aan

de vlerken van mijn vindingrijke vader.

Ontstegen aan zijn dwaaltuin raakte ik

buiten mijzelf. Al maar hoger vogel

kreeg ik weidser zicht. Naar de hemel

streefde ik, naar het zonneklare licht.

Godzucht bracht me in extase, lang-

zaamaan smolt alles wat ik was.

In mijn val doorzag ik het ijdele van

mijn vlucht, de draagwijdte van wat

vader me had meegegeven. Onderste-

boven viel ik naar het alledaagse

terug. Wie redt mijn gezicht, mijn daze

kop, wie brengt mij weer tot stand?