Stapelen

stapelen

De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen 2005

stapelen3

stapelen4

Een selectie:

Stapelen

Op zijn gracht vond je het schaatsen uit, zijn waterput
was je eerste geluidsinstallatie, je zwierde er naar de
maan op de breugeliaanse kermis, verdwaalde in zaagsel-
mozaïeken op processiepaden, kerfde je klein bestaan
in een der reuzen, toetste aaibaarheid in de pikdonkere
holtes van zijn rododendrons. Alles sprookje toen
je buiten je dromen durfde te wedden dat het bestond.

Je ontdekte de Heilige Maagd in haar grot vlakbij en
de geheimenis van het plaatselijk bloedwonder maar
liever geloofde je in de meisjes hun nisje en je eigen
vlees en bloed in een kano op de Dommel, je slangen
van armen meanderend om hun aanbeden lijfje. Soms
verstoorde de suisse je wankel evenwicht, verdreef je
met het eendagsliefje uit je proefondervindelijk paradijs.

Het ligt er nog, je jeugdig landjuweel, onaanzienlijk
Brabants leen sinds je de maat der dingen kent, samen-
raapsel van stijlen en bouwsels waaromheen je leefde,
kantelen voor de vorm om kasteel te heten. Je zou leren
hoe het kind erin opging, de jongen er zich vergat, naar
hun staat geschapen als het was en onveranderlijk bleef.
Je keert er wel eens terug om je weer Stapelen te weten.

Vakwerk

‘Praat me niet van sneeuw en ijs,’
sprak mijn meelbestoven vader
terwijl hij witbrood in de rijs-
kast schoof, ‘daar komt maar dooi van.’

Maar toen hij ´s avonds in de maan-
overgoten kerstetalage van zijn tuin
heenkeek over het bruidssuikeren
gazon, de borstplaten vijver,
de marsepeinen beelden op hun
sokkels van fondant, knorde hij
voldaan: ‘Het kan niet anders
of de Schepper moet een bakker wezen.’

Maandag

Het is vier uur. De wereld slaapt
als vader afdaalt naar zijn oven.
Langs uitgesleten treden zakt hij
in het gat van het portaal.
Stijf van blauwsel staat zijn lijf,
hij kraakt van boven tot beneden.

Het wordt weer stil, wij dromen
door. Hij blaast de vuren aan
en slaat zich door de degen heen.

De laatste broden rijzen nauwelijks
de vormen uit of moeder zingt
de stilte uit de ochtend, schudt
de veren in haar kakelbonte schort.

Als wij bij zevenen gezeten zijn
neemt zij het mes ter hand, slaakt
een kruis over het warme brood. Wij
sluiten onze ogen zwijgend om het woord.

Zondag

Mijn ouders liggen naast mij
in de wei die pas begraasd
moet zijn zo laag van bloei
is onkruid om ons heen.

Vader zaait een arm naar
moeder uit. Het koren,
zegt hij, zag je onderweg
het koren staan? Nooit
heb ik hem zo zorgeloos
van slag gezien. Zijn hand
die nu geen brood vermenig-
vuldigt, plukt de bloemen
van haar jurk.

Achter ons wiekt een molen
door de wolkeloze dag.

Tijdrit

Ode aan Groesbeek

De laatste wal loopt in de hemel dood
voorziet de renner die – de grens nabij –
met allerkleinst verzet de zwaarte polst.
Wie tijd bestrijdt, schakelt naar

eeuwigheid, schiet de ritmen van dit land
voorbij: ademtocht van wilde orchideeën
in de laagte, wiekslag van de molen bovenin
het dorp, echo’s van oorlog rond de heuvels.

De schaduw die aan hem gekoppeld is
stijgt voor hem uit, ontvlucht zijn loden
lijf voor de top bereikt is, valt.

Zijn schim heeft hem verlaten als hij op
staat bij de pleisterplaats. Het geurt
naar nacht, zijn mond zoekt de bidon.

Bestemming

Hij ziet hoe fraai het oord is hoe intiem
het onderkomen, de wanden zijn van
zilver, van goud de lepels, de vrouw
die hem ontving voorspelt een moeiteloze
nacht, liefde bloeit uit duizend vazen.

Na het baden schuift hij tussen misschien
wel zijde. De hand die hem vertrouwd
begint te raken ligt al klaar, beroert zijn
slapen. De vreemdeling komt tot zichzelf,
herkent het bed als dat van haar, van mij.

Laatst

Laatst lagen we weer in het gras,
jij wist het niet omdat ik ons daar
droomde, ik hield je in de zomer
vast. Niet ver weg ruist het koren

liet ik je bedenken terwijl mijn mond
de knoopjes van je blouse losbeet
en mijn vingers dieper doende waren
met het worden tot één vlees.

Hé, zei je, ik wist niet dat je dit bedoelde
met: ik moet je toch eens laten horen
hoe ik buiten adem raken kan.

Ik sloot je ogen om mij niet te hoeven
zien, om maar niets te hoeven missen
van het blind plezier dat ik je gaf.

Het schouwen van vriend K

Op de bank onder de linde heeft vriend K
een uur of wat de wereld in gezwegen.
Ik deed mee.

Vriendschap, meldt Griek A, is een groot
goed. Een vriend is een tweede zelf.
In zijn doen en laten weerspiegelt zich
het jouwe. Van hem genieten is jezelf genieten.
Vriendschap is eigenbelang, is eigenliefde.

Ik contempleer gelijkgestemde K.
Door, met en in hem ben ik mijzelf
gelukkig nabij. Door zijn ogen schouw ik
de zomermeisjes op het marktplein.

De deugd der lijdzaamheid

Vanmiddag in de tuin een boeddha
geprobeerd, dat viel niet mee:
ik zocht vergeefs naar blijvende
balans, buren kabaalden, mijn ogen
werden bang in hun donker,
in mijn kop loeide de verveling,
muggen konden mijn bloed wel drinken.

Verderop wist ik de teerbeminde
die me dit had aangedaan
in lotushouding stil en tevreden
omdat ik zo een aantal uren weg
van haar bleef.

Alsof

Laten we spreken alsof
we nog steeds niet
van elkaar houden,
het ontzagwekkend
oordeel verzwijgend.

Laten we zonder de
nadrukkelijke nabijheid
van de ander hooguit
de hemel betuigen
dat we elkaar ooit
misschien die uitspraak
durven verlenen.

Laten we doen alsof
de mogelijkheid bestaat
dat we elkaar voor een half
leven liefhebben zonder
ertegen in beroep te gaan.

Laten we de hoge woorden
niet spreken om ze
uit te laten staan.

Treinreis

Ze is zichzelf zo volkomen dat ze mij
vergeet, ze kauwt banaan beet na
beet grazen haar ogen over de weiden
met de verse beesten van het voorjaar.

Haar benen zijn nog wit als haar gebit,
ik zit erbij en kijk ernaar, lief en zacht
stel ik mijn blik, in mijn versleten slip
ontvouwt zich mijn bejaard geslacht.

Mijn vingers willen naar haar tepels
maar ik houd ze met de krant in toom
en sluit mijn ogen om te strelen
in een lentesverre jongensdroom

totdat ‘uw plaatsbewijs alstublieft’
mij terugbrengt bij de man die ik laat zien.

80

Vanmorgen stokoud geworden. Direct alpinisme
overwogen evenals reis naar Lapland om niet
te verdwijnen tussen de dode lippen van Doelloos
Leven. Ten slotte in bad gekropen, het lijf en vel
geïnspecteerd op regelmatigheden, symmetrie en
schoonheid. Weinig daarvan aangetroffen.

Straks in kist gewassen, geschoren en gestreken,
geschminkt en opgelapt, bewierookt en
besprenkeld, de ziel afgelegd. Ongeschonden,
een kind gelijk zak je de Hemelse Schede in.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon